Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Procesgang
2.Inhoud van het klaagschrift
3.Standpunt van het Openbaar Ministerie
4.De beoordeling
5.De beslissing
niet-ontvankelijkin zijn beklag.
Rechtbank Amsterdam
Klager diende een klaagschrift in tot teruggave van een geldbedrag van €10.100,- dat in beslag was genomen uit een auto die door zijn vader werd bestuurd. De strafzaak tegen de vader werd geseponeerd, waarna klager binnen de wettelijke termijn het klaagschrift indiende. Klager stelde eigenaar te zijn van het geld, dat hij had verstopt in het plafond van de auto, en wilde het gebruiken voor een vakantie.
De officier van justitie voerde aan dat het klaagschrift niet binnen twee jaar na inbeslagneming was ingediend en dat klager niet als rechthebbende kon worden aangemerkt wegens gebrek aan bewijs. Ook werd gewezen op het witwasvermoeden rond het geldbedrag. De rechtbank oordeelde dat klager onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij redelijkerwijs als rechthebbende kon worden beschouwd. Het feit dat het geld in een sok in het plafond van een auto, die op naam van een ander stond, was verstopt, en het uitblijven van contact met politie of bewijsstukken, waren doorslaggevend.
Daarom verklaarde de rechtbank het klaagschrift niet-ontvankelijk en kwam zij niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het klaagschrift. Klager werd gewezen op de mogelijkheid van beroep in cassatie bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.
Uitkomst: Het klaagschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat klager niet redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.