Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam , verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
mr. L.C. Trommel, griffier, op
Rechtbank Amsterdam
Op 31 mei 2019 werd een auto van eiser geparkeerd aangetroffen op een locatie in Amsterdam waarvoor parkeerbelasting verschuldigd is. De heffingsambtenaar legde een naheffingsaanslag op omdat geen parkeerbelasting was betaald. Eiser stelde dat de auto met minimaal één wiel op het trottoir stond, wat volgens hem parkeren op een verboden plaats zou betekenen en dus geen parkeerbelasting verschuldigd was.
De rechtbank onderzocht de definitie van parkeren volgens artikel 225 van Pro de Gemeentewet en de Verordening parkeerbelastingen 2019 van Amsterdam. Parkeren is het laten staan van een auto op terreinen of weggedeelten waar dat niet wettelijk verboden is. Parkeren op een plek waar dat volgens een wettelijk voorschrift verboden is, valt niet onder deze definitie.
Hoewel de foto’s onduidelijk waren, oordeelde de rechtbank dat het mogelijk deels op de stoeprand staan van een wiel niet betekent dat de auto op het trottoir stond zoals bedoeld in artikel 10 RVV Pro 1990. Dit was hooguit slordig parkeren binnen het parkeervak. De naheffingsaanslag was daarom terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting is terecht opgelegd omdat de auto niet op een wettelijk verboden plaats stond.