Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3. bedreiging van [slachtoffer] .
3.Waardering van het bewijs
anderdan de gegijzelde te dwingen iets te doen of niet te doen. Verwezen wordt naar een arrest van de Hoge Raad van 23 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1695).
Ten aanzien van feit 3 geldt dat verdachte gedeeltelijk moet worden vrijgesproken van de bedreiging met het afsnijden van een vinger, omdat het dossier daarvoor alleen de verklaring van aangever bevat.
Als de rechtbank tot een ander oordeel komt moet verdachte in ieder geval worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde gijzeling, omdat geen sprake is van het oogmerk een ander dan [slachtoffer] te dwingen iets te doen of niet te doen.
- [slachtoffer] heeft in eerste instantie verklaard dat hij direct na zijn ontvoering tape over zijn mond heeft gekregen dat pas in de woning in [plaats] is verwijderd, terwijl uit de gegevens van zijn telefoon blijkt dat er omstreeks 22:41 uur, 22:47 uur en 22:54 uur uitgaande spraakberichten vanaf zijn telefoon hebben plaatsgevonden. [slachtoffer] heeft, geconfronteerd met die bevindingen, daar later over verklaard dat hij die gesprekken inderdaad heeft gevoerd, omdat hij geld moest regelen.
- [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op weg naar de woning in Almere ongeveer vijf tot tien minuten samen met zijn ontvoerders op een parkeerplaats in Muiden heeft gestaan. Uit de locatiegegevens van zijn telefoon blijkt echter dat de telefoon van [slachtoffer] gedurende een klein uur op de locatie in Muiden uitpeilt.
- [slachtoffer] heeft bij de politie naar voren gebracht de verdachten [medeverdachte] en [verdachte] nooit eerder te hebben gezien en heeft hierin steeds volhard, ook in zijn verhoor bij de rechter-commissaris. Terwijl getuige [getuige 1] (die door [slachtoffer] zelf als getuige is aangewezen) heeft verklaard dat hij de verdachten in 2018 via [slachtoffer] heeft leren kennen en dat hij zeker weet dat [slachtoffer] de verdachten kent.
- Tot slot heeft [slachtoffer] verklaard geen schulden te hebben, terwijl tijdens de doorzoeking van zijn auto documenten zijn aangetroffen waaruit het tegendeel lijkt te volgen, zoals aanmaningen, boetes en betalingsverplichtingen gericht aan [slachtoffer] of de bedrijven ingeschreven op het adres van [slachtoffer] .
welsteun vinden in ander bewijsmateriaal en zijn verklaringen ook niet zozeer volledig onwaar als wel vooral erg overdreven lijken te zijn. Maar de rechtbank is terughoudend met het gebruik van de verklaringen van [slachtoffer] voor het bewijs en zal daarom alleen die onderdelen van zijn verklaringen gebruiken die in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.