ECLI:NL:RBAMS:2020:4407

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 augustus 2020
Publicatiedatum
7 september 2020
Zaaknummer
20/2785 en 20/2786
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • R.C.J. Hamming
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 534 SvArt. 9a Sr
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vergoeding onrechtmatige inverzekeringstelling ondanks sepot

Verzoeker diende een verzoek in tot vergoeding van €105 voor schade door het ontbreken van een inverzekeringstelling en €280 voor kosten van het verzoekschrift. Uit het dossier bleek dat verzoeker abusievelijk niet in verzekering was gesteld, hoewel dit volgens de regels wel had moeten gebeuren. De strafzaak tegen verzoeker werd onvoorwaardelijk geseponeerd vanwege recente bestraffing.

De rechtbank overwoog dat het ontbreken van een formele inverzekeringstelling gelijkgesteld kon worden met een inverzekeringstelling, maar dat dit niet automatisch recht gaf op vergoeding. Gezien het feit dat er een beleidssepot was verleend dat voldoende tegemoetkwam aan de belangen van verzoeker, waren er geen billijke gronden voor vergoeding van de schade door de detentie.

De rechtbank wees het verzoek daarom af. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open voor zowel verzoeker als het Openbaar Ministerie.

Uitkomst: Verzoek tot vergoeding wegens niet tijdige inverzekeringstelling wordt afgewezen omdat het sepot voldoende tegemoetkomt aan de belangen van verzoeker.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/172043-16
RK: 20/2785 en 20/2786
Beschikking op de verzoeken ex artikel 533 en Pro 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsvrouw, mr. Y. Karga, H.J.E. Wenckebachweg 150-D, 1114 AD te Amsterdam,
verzoeker.

1.Procesgang

Het verzoekschrift is op 9 juni 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Op 17 juni 2020 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
In verband met de coronamaatregelen heeft met instemming van de raadsvrouw van klager en de officier van justitie geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. Zij hebben schriftelijk op elkaars standpunt gereageerd.

2.Inhoud van het verzoekschrift en standpunt van de verdediging

Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van € 105,- voor de schade die verzoeker ten gevolge van ondergane stelt te hebben geleden. Uit het dossier blijkt dat er abusievelijk geen inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden. Verzoeker had in verzekering gesteld moeten worden. Deze situatie kan gelijk worden gesteld met een inverzekeringstelling. Het is dan ook redelijk en billijk dat verzoeker hiervoor een vergoeding ontvangt.
Het verzoek strekt daarnaast tot het toekennen van een vergoeding van € 280,- voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

3.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verzet zich tegen toekenning van de gevraagde schadevergoeding. De bewijsbare zaak is geseponeerd met een beleidssepot 51 (recente bestraffing). Hiermee is rekening gehouden met de persoonlijke belangen van verzoeker. Het is derhalve niet billijk om hiernaast een schadevergoeding aan verzoeker toe te kennen.

4.Beoordeling

4.1
Inhoud van het dossier
Op 19 augustus 2016 wordt bij een doorzoeking in de woning van verzoeker, op het adres [adres] , in diens slaapkamer in een schoen in een schoenendoos een taser aangetroffen. Verzoeker wordt om 20:15 uur aangehouden en is de volgende dag om 13:12 uur heengezonden.
De officier van justitie heeft de strafzaak tegen verzoeker onvoorwaardelijk is geseponeerd en dat bij brief van 7 mei 2020 aan hem meegedeeld met als reden ‘uw recente bestraffing maakt een vervolging niet noodzakelijk’.
4.2
Toetsingskader
Indien de zaak tegen een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of als wel een straf en/of maatregel is opgelegd, maar op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, kan de rechtbank op grond van artikel 533 Sv Pro op verzoek van de gewezen verdachte, hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij ten gevolge van onder andere ondergane verzekering heeft geleden.
Indien de zaak tegen een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan op verzoek van de gewezen verdachte op grond van artikel 530 lid 2 Sv Pro, aan hem, uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade, die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman.
Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak.
Op grond van artikel 534 lid 1 Sv Pro heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De strafzaak tegen verzoeker is op 7 mei 2020 onvoorwaardelijk geseponeerd. Een onvoorwaardelijk sepot dient te worden aangemerkt als een ‘einde zaak’ in de zin van artikel 533 en Pro 530 Sv.
Het verzoek is tijdig ingediend.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank leidt uit de stukken af dat verzoeker niet (tijdig) in verzekering is gesteld hoewel dat op grond van de op dat moment geldende regels wel had gemoeten. Dat formeel geen inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden staat om die reden niet in de weg aan het toekennen van een vergoeding.
De rechtbank komt echter toch tot afwijzing van het verzoek. Gelet op de inhoud van het dossier, waaronder het aantreffen van een verboden wapen in de slaapkamer van verzoeker en diens verklaring dat hij dit zelf heeft gekocht, is de rechtbank van oordeel dat met het sepot van 7 mei 2020 voldoende aan de belangen van verzoeker tegemoet is gekomen. Gelet op voornoemde omstandigheden staan naar het oordeel van de rechtbank gronden van billijkheid eraan in de weg dat verzoeker de verzochte schadevergoeding van de Staat ontvangt voor de tijd die hij in een politiecel heeft doorgebracht.

5.Beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.
Wijst het verzochte af.
Deze beslissing is gegeven door
mr. R.C.J. Hamming, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D. Spaan, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2020.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open, voor de officier van justitie binnen veertien dagen
en voor verzoeker binnen een maand na betekening van deze beschikking,
in te stellen ter griffie van deze rechtbank.