ECLI:NL:RBAMS:2020:4032

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 augustus 2020
Publicatiedatum
18 augustus 2020
Zaaknummer
13/751507-20
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 OverleveringswetArt. 2 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 8 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening onderzoek Poolse overleveringszaak in afwachting prejudiciële vragen Hof van Justitie

De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering op grond van artikel 23 Overleveringswet Pro betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse rechtbank in Katowice voor de overlevering van een Poolse verdachte die een gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden moet uitzitten.

Naar aanleiding van een eerdere tussenuitspraak van 31 juli 2020 heeft de rechtbank prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de onafhankelijkheid van Poolse rechters die EAB’s uitvaardigen, mede vanwege recente wetswijzigingen in Polen die de rechterlijke onafhankelijkheid kunnen aantasten.

De rechtbank overweegt dat een gerecht dat een EAB uitvaardigt ook na de uitvaardiging moet blijven voldoen aan de eisen van effectieve rechterlijke bescherming en onafhankelijkheid. Dit heeft gevolgen voor de behandeling van alle Poolse overleveringszaken, die voorlopig worden aangehouden totdat het Hof van Justitie uitspraak doet.

De rechtbank besluit het onderzoek te heropenen, de zaak aan te houden en stelt dat geen inhoudelijke beoordeling van de overlevering zal plaatsvinden tenzij op basis van reeds verstrekte informatie een weigeringsgrond kan worden vastgesteld. Tevens wordt de oproeping van de verdachte en een Poolse tolk bevolen.

Uitkomst: De rechtbank heropent het onderzoek en schorst de behandeling van het Poolse EAB in afwachting van prejudiciële antwoorden over rechterlijke onafhankelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751507-20
RK nummer: 20/3344
Datum uitspraak: 18 augustus 2020
TUSSEN
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 29 juni 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 september 2019 door
the Circuit Court in Katowice(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 4 augustus 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is, via telehoren, gehoord en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
cumulative judgement of the Circuit Court of Katowice of 22nd December 2016, reference V K 224/16.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4. Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest)

Bij tussenuitspraak van 31 juli 2020 [1] heeft de rechtbank prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (
hierna: Hof van Justitie) inzake de onafhankelijkheid van Poolse rechters in relatie tot – onder meer – de uitvaardiging van een EAB. In het kader van de eerste van de drie prejudiciële vragen heeft de rechtbank in rechtsoverweging 16 en 17 het volgende overwogen:

16. De rechtbank leidt uit deze rechtspraak over de eis van onafhankelijkheid in het kader van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, artikel 19, eerste lid, tweede alinea, VEU en artikel 47, tweede alinea, Handvest af, dat een gerecht dat een EAB uitvaardigt moet voldoen aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming/een daadwerkelijke rechtsbescherming, hetgeen het bestaan van regels eist die bescherming bieden tegen druk of beïnvloeding van buitenaf die de onafhankelijkheid van zijn oordeelsvorming in de aan hem voorgelegde zaken in gevaar zouden kunnen brengen.

17. Een gerecht dat een EAB heeft uitgevaardigd, moet in de opvatting van de rechtbank ook na die uitvaardiging blijven voldoen aan die eisen. De taken die een dergelijk gerecht in die fase verricht – zoals het op verzoek van de uitvoerende rechterlijke autoriteit of eigener beweging verstrekken van aanvullende gegevens (artikel 15, tweede en derde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ), het verstrekken van een garantie over de detentieomstandigheden of het in ontvangst nemen van de overgeleverde persoon – zijn in de opvatting van de rechtbank aan de uitvaardiging van dat EAB “inherent verbonden taken” bij de uitvoering waarvan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit onafhankelijk moet op treden (zie overweging 12). Zulke taken “vallen” bovendien “op het gebied van het Unierecht” (zie overweging 15), zodat bij de uitoefening van die taken voldaan moet zijn aan de eisen van daadwerkelijke rechtsbescherming en dus aan de eis van onafhankelijkheid.

Onder meer in het licht van deze overwegingen heeft de rechtbank eerst de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie voorgelegd of, kort gezegd, een (Pools) EAB ten uitvoer kan worden gelegd dat is uitgevaardigd door een gerecht, terwijl de nationale wet van de uitvaardigende lidstaat na de uitvaardiging van dat EAB zodanig is gewijzigd, dat het gerecht niet meer voldoet aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming/daadwerkelijke rechtsbescherming omdat die wetgeving de onafhankelijkheid van dat gerecht niet meer waarborgt.
Nu de eerste prejudiciële vraag ziet op de onafhankelijkheid van een gerecht dat een EAB uitvaardigt, houdt dit in dat deze vraag ook van toepassing is in een situatie waarin een EAB ten behoeve van executie is uitgevaardigd, zoals in deze zaak het geval is.
Daarbij komt dat, zoals in de tussenuitspraak van 31 juli 2020 is overwogen, een gerecht dat een EAB heeft uitgevaardigd naar het oordeel van de rechtbank aan de eisen van onafhankelijkheid moet blijven voldoen ook na het uitvaardigen van het EAB. De rechtbank verwijst in dit verband naar de hiervoor weergegeven overwegingen 16 en 17.
Het standpunt van de officier van justitie dat de prejudiciële vragen niet relevant zijn voor EAB’s ten behoeve van executie waaraan vonnissen ten grondslag liggen die voor de hervormingen zijn gewezen, gaat gelet op het voorgaande dan ook niet op.

5.Heropening van het onderzoek

Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het voorgaande, het antwoord op in ieder geval de eerste prejudiciële vraag ook van belang in deze zaak. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het onderzoek te heropenen.
6. Gevolgen van de verwijzingsuitspraak van 31 juli 2020 voor de behandeling ter zitting van Poolse overleveringszaken
Voornoemde tussenuitspraak van 31 juli 2020 heeft gevolgen voor de behandeling van alle Poolse overleveringszaken.
Om duidelijkheid voor openbaar ministerie en advocatuur te scheppen over de behandeling van dergelijke zaken, tot het moment waarop het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan, zal de rechtbank haar werkwijze uiteenzetten.
Alle Poolse overleveringszaken waarin de opgeëiste personen gedetineerd zijn, zullen op zitting (blijven) worden gepland. Zowel vervolgings-EAB’s als executie-EAB’s (gelet op hetgeen hiervoor onder 4. is overwogen) zullen echter worden aangehouden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen.
Gelet op de eerste prejudiciële vraag zal in beginsel geen beoordeling van de toelaatbaarheid van de overlevering op basis van het voorliggende EAB plaatsvinden en zal de rechtbank in beginsel geen beslissing nemen over eventueel gevoerde verweren. De reden hiervoor is dat de status van de informatie die door de uitvaardigende justitiële autoriteit in het EAB of nadien is verstrekt, voorwerp van de prejudiciële vragen is (immers, bij het verstrekken van dergelijke informatie is onafhankelijkheid vereist).
Op deze gang van zaken maakt de rechtbank één uitzondering. Als de rechtbank (mede) op basis van de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit reeds verschafte informatie concludeert dat één van de weigeringsgronden als bedoeld in de artikelen 2, 6-10, 12-13 en 26, vierde lid OLW juncto artikel 28, tweede lid, OLW van toepassing is, althans dat die informatie de toepasselijkheid van een dergelijke weigeringsgrond niet uitsluit, dan zal zij om proceseconomische redenen de overlevering weigeren.
Voor de goede orde wijst de rechtbank er op dat aanvullende informatie, gelet op de prejudiciële verwijzing, vooralsnog niet langer zal worden opgevraagd.
Indien de behandeling van het overleveringsverzoek wordt aangehouden, zal de rechtbank ter zitting of in raadkamer beslissen over het voortduren van de overleveringsdetentie.

7.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de prejudiciële vragen die zijn gesteld in de uitspraak van 31 juli 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020: 3776);
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman;
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de nog nader te bepalen datum en tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. H.P. Kijlstra en J.P.W. Helmonds, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 18 augustus 2020.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.