Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De vordering en de grondslag daarvan
‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod’en
‘diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking’. Veroordeelde heeft volgens de officier van justitie door middel van deze strafbare feiten € 256.565,28 (het wederrechtelijk verkregen voordeel) verdiend. De officier van justitie heeft de vordering ter terechtzitting aangepast naar een bedrag van € 236.248,29. Dat bedrag zou veroordeelde aan de staat moeten betalen.
3.Het wederrechtelijk verkregen voordeel
4.De verplichting tot betaling
5.Toepasselijke wettelijke voorschriften
6.Beslissing
€ 236.248,29.