Op 7 november 2019 werd verdachte aangehouden in het portiek van zijn woning te Amsterdam. Bij hem werd een geladen omgebouwd gas- en alarmpistool aangetroffen, voorzien van een uitneembaar patroonmagazijn met drie patronen. Tevens werd bij een doorzoeking van zijn woning een slede van een vuurwapen gevonden. Verdachte bekende het bezit van het pistool en de slede en verklaarde het wapen bij zich te dragen met het oog op zelfverdediging.
De rechtbank achtte bewezen dat verdachte het vuurwapen en munitie van categorie III voorhanden had in de openbare ruimte. Het bezit van een geladen vuurwapen in de openbare ruimte werd als ernstig en gevaarlijk beschouwd, waarbij de rechtbank geen aanleiding zag tot strafvermindering ondanks de verklaring van verdachte over zelfbescherming.
De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 12 maanden, terwijl de verdediging pleitte voor een lagere straf binnen de bandbreedte van drie tot zes maanden, verwijzend naar landelijke richtlijnen en het feit dat verdachte een first offender is. De rechtbank volgde de Amsterdamse richtlijnen die hogere straffen hanteren vanwege het toenemende vuurwapenprobleem in de stad.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest. De strafoplegging werd gemotiveerd door het gevaar van vuurwapenbezit in de openbare ruimte en het belang van een krachtige bestrijding daarvan. Het vonnis werd uitgesproken op 19 februari 2020 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam.