Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het procesverloop
2.Inhoud van het verzoekschrift
3.Standpunt van het Openbaar Ministerie
4.De beoordeling
5.Beslissing
niet-ontvankelijkin zijn verzoek.
Rechtbank Amsterdam
Verdachte diende een verzoek in op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Strafvordering om te verklaren dat de strafzaak tegen hem was geëindigd, na een langdurige periode van onderzoek en voorlopige hechtenis wegens verdenking van medeplegen of medeplichtigheid aan moord/doodslag.
De rechtbank overwoog dat het onderzoek ter terechtzitting was aangevangen, waardoor de procedure volgens de Hoge Raad moet worden voortgezet totdat een einduitspraak is gegeven. Het verzoek tot beëindiging van de zaak kan daarom niet worden toegewezen zolang het onderzoek niet definitief is afgerond.
De rechtbank nam het standpunt van het Openbaar Ministerie over dat verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek. De rechtbank wees ook het subsidiaire verzoek van de raadsman af om de zaak aan te houden en een datum voor een eventuele vrijspraak te plannen.
De rechtbank concludeerde dat het verzoek ex artikel 36 Sv Pro niet-ontvankelijk is omdat het onderzoek ter terechtzitting is begonnen en de procedure niet tussentijds kan worden beëindigd. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek ex artikel 36 Sv omdat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen.