Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 oktober 2019 in de zaken tussen
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
die met het vorenstaandein de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk zijn. Dit wijst terug naar de doelstelling onder sub a en sub b en wordt hierdoor dus begrensd. Hieruit volgt dat ook sub c wordt begrensd tot activiteiten als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet BIZ. De doelstelling van de Stichting in haar statuten is dus in overeenstemming met de Wet BIZ en niet te ruim. De beroepsgrond van eisers slaagt daarom niet.
bij de gemeente kenbare bijdrageplichtigein de gelegenheid heeft gesteld om deel te nemen aan de draagvlakmeting. Eisers hebben onvoldoende onderbouwd dat er meer bij de gemeente kenbare bijdrageplichtigen zouden zijn. Pas op de zitting hebben eisers aangevoerd dat tien van hen [15] wel een aanslag, maar geen stembiljet hebben gekregen. De rechtbank laat dit argument buiten beschouwing wegens strijd met een goede procesorde, omdat het onredelijk laat naar voren is gebracht en niet valt in te zien waarom het niet eerder in de procedure naar voren gebracht had kunnen worden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de heffingsambtenaar op de zitting heeft verklaard dat hij zonder nader onderzoek niet kon reageren op dit nieuwe argument van eisers.
bij de gemeente bekende bijdrageplichtigen. Voor zover op de website van de Stichting is vermeld dat de BI -zone 400 deelnemers heeft, heeft de heffingsambtenaar erop gewezen dat dit niet is gebaseerd op gegevens van de gemeente en dat dit dus niet betekent dat er meer bijdrageplichtigen zijn dan in de draagvlakmeting en de heffing zijn betrokken. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen, ook al omdat het mogelijk is dat ondernemers die niet bijdrageplichtig zijn zich vrijwillig bij de BI -zone hebben aangesloten.
voor de gehele [naam]. De tekst van de e-mail van [naam] bevat daarvoor geen enkel aanknopingspunt. Van een toezegging van de Stichting aan eisers is dan ook geen sprake. Reeds hierom kan niet worden gezegd dat de heffingsambtenaar in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door aan alle eisers afzonderlijk een aanslag op te leggen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Beslissing
.