ECLI:NL:RBAMS:2019:7201
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- P.L.C.M. Ficq
- R.A. Overbosch
- R.C.J. Hamming
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift tegen beslag in witwas- en ontnemingsprocedure ongegrond verklaard
De zaak betreft een bezwaarschrift van klager tegen het beslag op een geldbedrag van €40.000 en diverse goederen, gelegd in het kader van een witwasonderzoek en een ontnemingsprocedure. Klager is vrijgesproken van witwassen, maar wordt verdacht van wapens- en drugsbezit. Het beslag is gelegd op grond van artikel 94 en Pro 94a Sv.
Klager verzocht om opheffing van het beslag, stellende dat geen sprake is van onverklaarbaar vermogen en dat het beslag disproportioneel en subsidiariteitsbeginselen schendt. Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen opheffing, stellende dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vereist, omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter verbeurdverklaring en ontneming zal opleggen.
De rechtbank oordeelt dat het onderzoek in raadkamer summier is en niet ten gronde kan treden op de hoofdzaak. Gelet op de feiten en het dossier is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter het beslag zal handhaven. Het beslag is proportioneel gezien de hoogte van de ontnemingsvordering en de waarde van het beslag. Het bezwaarschrift wordt daarom ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.
Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen het beslag wordt ongegrond verklaard en het beslag blijft gehandhaafd.