ECLI:NL:RBAMS:2019:7191
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot vergoeding kosten rechtsbijstand na onvoorwaardelijk sepot wegens valsheid in geschrift
Verzoekster heeft op grond van artikel 591a Wetboek van Strafvordering een vergoeding gevraagd voor kosten van rechtsbijstand en het verzoekschrift, nadat de strafzaak tegen haar onvoorwaardelijk werd geseponeerd. De zaak betrof verdenking van valsheid in geschrift binnen een groter onderzoek tegen haar werkgever.
De rechtbank overwoog dat het criterium van een bewijsbare zaak niet passend is voor de beoordeling van het verzoek en dat de onschuldpresumptie in acht moet worden genomen. Er was geen aanwijzing dat verzoekster de verdenking aan zichzelf te wijten had of het Openbaar Ministerie had misleid. Ook het feit dat de werkgever de kosten droeg, stond niet aan vergoeding in de weg.
De rechtbank matigde de gevraagde vergoeding wegens dubbele bijstand door twee advocaten en het gehanteerde uurtarief, omdat geen sprake was van bijzondere of complexe omstandigheden. Ook werden gedeclareerde uren voor een bespreking met medeverdachten niet vergoed. Uiteindelijk werd een vergoeding van €12.000 voor de raadslieden en €550 voor het verzoekschrift toegekend.
Uitkomst: Verzoek tot vergoeding kosten rechtsbijstand wordt deels toegewezen met een vergoeding van €12.550.