Uitspraak
,
Rechtbank Amsterdam
De officier van justitie verzocht op 11 juni 2019 om een nieuwe voorwaardelijke machtiging voor betrokkene op grond van de Wet BOPZ. De geneeskundige verklaring, gedateerd 4 juni 2019, was getekend door een psychiater die volgens de betrokkene zelf niet het onderzoek had uitgevoerd, maar diens arts-assistent. Dit leidde tot aanhouding van de zaak om toelichting te verkrijgen.
Bij de zitting van 27 augustus 2019 bleek dat de psychiater de betrokkene uiteindelijk op 5 juli 2019 zelf had onderzocht en achter de inhoud van de verklaring stond. De rechtbank constateerde dat de verklaring van 4 juni 2019 niet aan de formele eisen voldeed omdat de psychiater niet zelf het onderzoek had gedaan, wat een belangrijke waarborg is in het kader van de grondrechten.
Desondanks oordeelde de rechtbank dat het formele gebrek voldoende was hersteld door het latere onderzoek en de toelichting van de psychiater. De materiële vereisten, waaronder de diagnose schizofrenie en het gevaar dat betrokkene vormt, werden onderschreven door de behandelend psychiater en niet betwist. De rechtbank verleende daarom de nieuwe voorwaardelijke machtiging met een duur van één jaar na afloop van de vorige machtiging, met de verplichting tot naleving van het behandelingsplan.
Uitkomst: De rechtbank verleent een nieuwe voorwaardelijke machtiging ondanks het aanvankelijke formele gebrek in de geneeskundige verklaring.