ECLI:NL:RBAMS:2019:6814

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 augustus 2019
Publicatiedatum
17 september 2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1472
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Participatiewet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen mindering bijstandsuitkering wegens kasstortingen als middelen

Eiser maakte bezwaar tegen de mindering van zijn bijstandsuitkering met een bedrag van €2.745,00, bestaande uit kasbetalingen van zijn zoons. Hij voerde aan dat deze stortingen niet als middelen aangemerkt konden worden omdat ze bedoeld waren voor huur, afbetaling van een auto en schuldaflossing.

Verweerder stelde dat de stortingen terecht in mindering zijn gebracht omdat de bijstand een laatste vangnet is en niet bedoeld om schulden af te lossen. De rechtbank overwoog dat volgens artikel 31 van Pro de Participatiewet dergelijke geldstortingen als middelen moeten worden aangemerkt, zeker omdat eiser vrijelijk over het geld kon beschikken.

De rechtbank verwierp het beroep omdat de uitzonderingssituatie uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep niet van toepassing was. De lening was onbetwist bedoeld voor schuldaflossing en niet voor levensonderhoud, en de afspraak over de lening werd pas achteraf gemaakt.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken.

Uitkomst: Het beroep tegen de mindering van de bijstandsuitkering wegens kasbetalingen als middelen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 19/1472

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

29 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te Ouderkerk aan de Amstel, eiser

(gemachtigde: mr. H.J.G. Heijen),
en

Het College van Burgemeester en Wethouders van Ouder-Amstel, verweerder

(gemachtigde: S. Dharampal)

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder kasbetalingen van in totaal € 2.745,00 in mindering gebracht op de bijstandsuitkering van eiser. Bij besluit van
1 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser voert aan dat de geldstortingen door zijn zoons, in totaal € 2.745,00, niet aan te merken zijn als middelen zodat geen grond bestond om deze in mindering te brengen op de bijstandsuitkering. De betalingen waren bedoeld voor het betalen van de huur, het afbetalen van een auto en aflossen van een schuld aan de bank. Verweerder neemt een te rigide standpunt in.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de stortingen op goede grond in mindering zijn gebracht op de uitkering. Verweerder licht ter zitting toe dat het niet van belang is of de stortingen aan eiser zijn overgemaakt of direct zouden zijn betaald aan de schuldeiser. De bijstand is een laatste vangnet en is niet bedoeld om schulden af te lossen.
5. De rechtbank overweegt dat uit artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet volgt dat geldstortingen als middel aangemerkt moeten worden. Het betreft hier periodieke betalingen aan eiser. Eiser kon vrijelijk beschikken over de geldbetalingen door derden die naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandontvanger moeten worden aangemerkt. De uitzonderingssituatie, zoals bijvoorbeeld vermeld in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188, doet zich niet voor. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser wel enig inkomen genoot, de geldlening onbestreden was bedoeld ter aflossing van een schuld en niet was bedoeld voor levensonderhoud en dat de afspraak dat het om een lening gaat niet bij de betaling maar achteraf is gemaakt.
6. De beroepsgronden slagen niet.
7. Het beroep is ongegrond
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier, op 29 augustus 2019.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.