Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juli 2019 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
Procesverloop
Overwegingen
- dat de opdrachtgever heeft verklaard dat hij nooit enige productie van eiseres heeft gezien en dat eiseres (ook na verzoek daartoe) niet met stukken heeft aangetoond dat zij werkzaamheden heeft verricht;
- dat [naam] (de opvolgend eigenaar van het kinderdagverblijf) heeft verklaard dat eiseres op 2 januari 2017 tegen haar heeft gezegd dat eiseres geen werk had;
- dat eiseres pinbetalingen heeft gedaan voor vrijetijdszaken op dagen en tijdstippen waarvan verwacht mag worden dat eiseres als werknemer (bij een fulltime aanstelling) werkzaam zou moeten zijn geweest;
- de tegenstrijdige verklaringen van eiseres van 20 februari 2018 en 20 maart 2018. Zo heeft eiseres in de eerste verklaring van 20 februari 2018 verklaard dat zij niet gewerkt heeft, dat zij geen loon ontving dan wel gewerkt heeft zonder loon, dat zij in dienst was en geen idee had bij wie. In de tweede verklaring van 20 maart 2018 heeft eiseres echter verklaard dat zij in januari en februari 2017 bij [naam] heeft gewerkt. Verweerder heeft ter zitting de nadruk gelegd op de tegenstrijdigheid van de voornoemde verklaringen en eiseres gehouden aan de eerst afgelegde verklaring van 20 februari 2018.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de bezwaren tegen de primaire besluiten 1 (de intrekking van de ZW-uitkering) en 2 (de terugvordering van de ZW-uitkering) ongegrond zijn verklaard;
- herroept de primaire besluiten 1 en 2 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.024,-.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2019.