ECLI:NL:RBAMS:2019:4392

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 juni 2019
Publicatiedatum
20 juni 2019
Zaaknummer
13-752162-18
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 OLWArt. 5 OLWArt. 6:162 BWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Officier van justitie niet-ontvankelijk wegens uitvaardiging Europees aanhoudingsbevel door Duitse OM

De zaak betreft een verzoek tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie München II in Duitsland. De opgeëiste persoon wordt verdacht van het importeren en verkopen van cocaïne in Duitsland. De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en de procedure gevolgd volgens de Overleveringswet.

De kern van het geschil is de bevoegdheid van de uitvaardigende autoriteit. Het EAB is uitgevaardigd door een officier van justitie in Duitsland, wat volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) niet kwalificeert als een rechterlijke autoriteit in de zin van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De rechtbank volgt deze jurisprudentie en verklaart daarom de officier van justitie in Nederland niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

De rechtbank stelt ook vast dat de geschorste overleveringsdetentie is beëindigd. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open. De uitspraak is gedaan door drie rechters en direct uitgesproken tijdens de openbare zitting van 6 juni 2019.

Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752162-18
RK nummer: 19/2230
Datum uitspraak: 6 juni 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 april 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 november 2018 door het Openbaar Ministerie München II te München, Duitsland, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 juni 2019.
Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie
mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Cadier en Keer.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel van 24 september 2018, uitgevaardigd door het Kantongerecht München.
Dossiernummer ER III Gs 7766/18.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar Duits recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn als volgt omschreven in onderdeel e) van het EAB:
Pleegtijdstip/pleegperiode: 01.12.2017 tot en met 08.04.2018
Pleegplaats: [plaats]
1. Op een niet nader bepaalbaar tijdstip in december 2017 importeerde de beschuldigde, wetende en willende dit te doen, vanuit Nederland komende 50 gram cocaïne in het Bondsgebied, waar hij het tijdens een overnachting bij de anderszins vervolgde [naam] in [plaats] bij zich had, met de intentie om het vervolgens winstgevend in München te verkopen.

2. Op 08.04.2018 omstreeks 19.28 uur sprak de beschuldigde per telefoon vanuit een niet nader bekende plaats serieus en bindend met de anderszins vervolgde [naam] de verkoop van 1 kilogram cocaïne voor een totale prijs van 40.000,00 EUR af.

Met de verkoop wilde de beschuldigde winst maken.

Het verdovende middel beschikte respectievelijk over een gehalte qua werkzame bestanddelen van 30 procent cocaïne-hydrochloride. Dit gehalte qua werkzame bestanddelen nam de beschuldigde tenminste billijkend op de koop toe.
De beschuldigde beschikte bij de feiten, zoals hij wist, niet over de voor de omgang met verdovende middelen noodzakelijke vergunning.
Aard van betrokkenheid: hoofddader.

4.Bevoegdheid tot uitvaardiging van het EAB

Het EAB is uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie Kassel.
Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (
hierna: HvJ EU) van
27 mei 2019 in de zaken C-508/18 (zaak OG) en C-82/19 PPU (zaak PI) – en in het bijzonder de rechtsoverwegingen 88 tot en met 90 – waarbij het HvJ EU de vragen van de Ierse rechters heeft beantwoord, of het Openbaar Ministerie in Lübeck en het Openbaar Ministerie in Zwickau, beide in Duitsland, rechterlijke autoriteiten zijn als bedoeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, staat nu vast dat:
  • het onderhavige EAB niet is uitgevaardigd door een ‘rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en dus niet door een ‘justitiële autoriteit’ in de zin van artikel 1, aanhef en onder i, OLW en artikel 5 OLW Pro;
  • het onderhavige EAB niet een ‘rechterlijke beslissing’ in de zin van artikel 1, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ is en dus niet een beslissing van een justitiële autoriteit in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, OLW.
Onder verwijzing naar haar uitspraak van 1 december 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:9311) overweegt de rechtbank dat dit ertoe leidt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van dit EAB. Die vordering heeft immers geen betrekking op een door een rechterlijke/justitiële autoriteit uitgevaardigde rechterlijke/justitiële beslissing.

5.Beslissing

VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
STELT VASTdat de geschorste overleveringsdetentie is beëindigd.
Aldus gedaan door
mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en F.A.N.J. Goudappel, rechters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,
en direct uitgesproken ter openbare zitting van 6 juni 2019.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.