Op 19 november 2018 heeft verdachte samen met een mededader een tas van circa 1990 euro weggenomen van het slachtoffer door middel van geweld, waarbij het slachtoffer ten val kwam. Daarnaast had verdachte een creditcard in bezit waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat deze door diefstal was verkregen.
De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan straatroof met geweld en opzetheling, maar sprak hem vrij van een andere ten laste gelegde diefstal wegens onvoldoende bewijs. Verdachte heeft bekend en de verklaringen van het slachtoffer en andere bewijsmiddelen ondersteunen de bewezenverklaring.
De rechtbank oordeelde dat ondanks het feit dat verdachte zich goed heeft gehouden aan afspraken met hulpverlening en ouders, de ernst van het feit een straf vereist. Er werd een werkstraf van 150 uur opgelegd met een voorwaardelijke jeugddetentie van 75 dagen, waarvan 75 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Er zijn geen bijzondere voorwaarden opgelegd omdat de Raad en jeugdreclassering geen zorgen hadden over het gedrag van verdachte.
De strafoplegging is gebaseerd op landelijke oriëntatiepunten voor jeugdige first offenders bij straatroof met geweld en opzetheling. De rechtbank weegt mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld en dat het geweld als strafverzwarende omstandigheid geldt.
Het vonnis is gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam op 18 juni 2019.