Eiser, een Poolse arbeidsmigrant, ontving een WW-uitkering van 18 juni 2014 tot 30 januari 2015. UWV trok deze uitkering in en vorderde het bedrag terug, omdat eiser zijn verblijf in Polen niet zou hebben gemeld. Tevens werd een boete opgelegd. De rechtbank oordeelt dat UWV onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser vanaf 17 juni 2014 daadwerkelijk in Polen verbleef. De vermelding van eiser op een buslijst is onvoldoende bewijs, mede omdat eiser niet zelf heeft aangegeven op die lijst te staan en geen bewijs van daadwerkelijk vervoer is geleverd.
Daarnaast zijn er aanwijzingen dat eiser na 17 juni 2014 in Nederland verbleef, zoals transacties op zijn Nederlandse bankrekening en correspondentie op zijn Nederlandse adres. Ook de verklaring van een medewerker van de werkgever is onvoldoende duidelijk en verifieerbaar. De rechtbank concludeert dat de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering niet gerechtvaardigd zijn.
De boete is eveneens onterecht opgelegd omdat niet is aangetoond dat eiser zijn verblijf in het buitenland niet heeft gemeld. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit voor zover het de intrekking, terugvordering en boete betreft, herroept de primaire besluiten en veroordeelt UWV tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.