Partijen, gehuwd in Israël en woonachtig geweest in Nederland, zijn in een scheidingsprocedure verwikkeld waarbij de vrouw met de minderjarige kinderen sinds 2017 in Israël verblijft. De man vordert onder meer teruggeleiding van de kinderen naar Nederland, toewijzing van de zorg en afgifte van paspoorten. De vrouw woont en verblijft met de kinderen in Israël en heeft daar ook de kinderen ingeschreven.
De voorzieningenrechter beoordeelt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Voor het verzoek tot teruggeleiding is de Nederlandse rechter niet bevoegd omdat het Haags Kinderontvoeringsverdrag bepaalt dat het verzoek moet worden ingediend in het land waar het kind verblijft, hier Israël. Ook voor de ouderlijke verantwoordelijkheid is de Nederlandse rechter niet bevoegd omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen voorshands in Israël wordt aangenomen, conform Verordening Brussel II bis.
De voorzieningenrechter verklaart zich wel bevoegd voor de vorderingen betreffende de echtelijke woning in Nederland en de vaststelling van voorlopige partner- en kinderalimentatie, omdat de man in Nederland woont en de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben. De vrouw krijgt gelegenheid om haar standpunt en bewijsstukken over de alimentatievorderingen in te dienen. De procedure wordt aangehouden tot 28 maart 2019 voor verdere beslissingen.