De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 februari 2019 de vordering van het Openbaar Ministerie tot in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Roemenië. Het EAB betrof de overlevering van een persoon verdacht van strafbare feiten volgens Roemeens recht. De procedure was gestart op 4 april 2016 en kende een langdurige duur.
Tijdens eerdere zittingen, waaronder die van 7 juni 2016, werd de procedure geschorst om de uitvaardigende autoriteit de gelegenheid te geven nadere informatie te verstrekken over de detentieomstandigheden in Roemeense gevangenissen. De rechtbank stelde vast dat er een reëel gevaar bestaat op onmenselijke of vernederende behandeling in Roemeense detentie, mede gebaseerd op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie van de EU.
De uitvaardigende autoriteit heeft geen concrete garanties verstrekt over humane detentieomstandigheden. Het Openbaar Ministerie kon daarom geen nieuwe informatie aanvoeren. De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden en dat de overleveringsprocedure moest worden beëindigd. De officier van justitie werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en de overleveringsdetentie werd beëindigd. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.