ECLI:NL:RBAMS:2018:8945

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 november 2018
Publicatiedatum
12 december 2018
Zaaknummer
13/752100-17
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 6, vijfde lid, OLWArt. 7, eerste lid, OLWArt. 10 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor uitvoering vrijheidsstraf

De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 november 2018 een vordering tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Poolse rechtbank. Het EAB betreft de aanhouding en overlevering van een persoon die in Polen is veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf van 8 maanden, waarvan nog 7 maanden en 14 dagen resteren.

De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door een advocaat en tolk. De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en het EAB inhoudelijk getoetst aan de Nederlandse wetgeving, waarbij onder meer is vastgesteld dat de feiten ook in Nederland strafbaar zijn als overtreding van de Opiumwet.

De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld moest worden met een Nederlander vanwege een langdurig ononderbroken verblijf in Nederland, maar kon dit niet met overzichtelijke en tijdige stukken onderbouwen. De rechtbank verwierp dit verweer en concludeerde dat geen weigeringsgronden voor overlevering aanwezig zijn.

De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Polen. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752100-17
RK nummer: 18/4409
Datum uitspraak: 1 november 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 juli 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 september 2017 door
the District Court in Koszalin II Criminal Department(Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [opgeëiste persoon] (Polen) op [geboortedag] 1985,
ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres
[adres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. L. Windhorst, advocaat te Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis (judgment), gewezen door
the Local Court in Białogard VII Satellite Criminal Department in Świdwinen gedateerd 16 maart 2015, referentienummer: VII K 354/14.
Bij dit vonnis is de opgeëiste persoon veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf van 8 maanden. Bij beslissing van
the Local Court in Białogard VII Satellite Criminal Department in Świdwinvan 5 april 2016 is deze straf ten uitvoer gelegd.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 8 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 7 maanden en 14 dagen.
Het vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.Artikel 6, vijfde lid, OLW, gelijkstelling met een Nederlander

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, OLW. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon tien jaar ononderbroken zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehad en dat zijn leven zich in Nederland afspeelt.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan de eis van een ononderbroken rechtmatig verblijf gedurende vijf jaar.
De rechtbank verwijst allereerst naar haar uitspraak van 17 september 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:5992) waarin zij onder meer heeft geoordeeld dat:
  • stukken die ter onderbouwing dienen van het gestelde ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland voorafgaand aan de zitting moeten worden overgelegd;
  • het tijdig en gedocumenteerd aantonen van de ononderbroken duur en de rechtmatigheid van het verblijf van de opgeëiste persoon, de verantwoordelijkheid van de verdediging is en
  • de rechtbank er zeer veel waarde aan hecht dat de stukken overzichtelijk geordend en op chronologische volgorde worden overgelegd.
De rechtbank stelt vast dat op de middag voor de zitting de raadsvrouw een groot aantal stukken aan de rechtbank heeft gemaild. Deze stukken waren niet overzichtelijk geordend en bevonden zich niet in chronologische volgorde. Bij die stukken bevond zich ook geen toelichting, noch enige conclusie. De raadsvrouw kon ter zitting slechts een kleine selectie van die stukken op papier overleggen en kon desgevraagd geen toelichting op of onderbouwde conclusie van die stukken geven. Nu op de zitting daarom niet is gebleken dat de opgeëiste persoon voldoet aan de eis van een ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaar verenigt de rechtbank zich met het standpunt van de officier van justitie en verwerpt het verweer. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon op 4 juli 2018 is geschorst en dat de officier van justitie op de zitting heeft gemeld dat de opgeëiste persoon er al op 24 juli 2018 op is gewezen dat indien hij een beroep op gelijkstelling wilde doen, hij de stukken ruim voor de zitting en geordend diende aan te leveren.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon] aan
the District Court in Koszalin II Criminal Department(Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. V.V. Essenburg en A.W.C.M. van Emmerik, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 1 november 2018.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.