Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2018 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
Procesverloop
Overwegingen
“ondermeer dat u er niet zondermeer vanuit kan gaan dat een eventuele toekomstige nieuwe eigenaar, door bijvoorbeeld verkoop, een ontheffing in het vooruitzicht gesteld kan worden voor de aanwezige buitenruimte. Eventuele nieuwe toekomstige eigenaren dienen te voldoen aan de op dat moment geldende regelgeving. Dit laatste geldt ook voor u, zodra u nieuwe objecten als buitenruimte plaatst of afmeert.”De ontheffing gold daarom alleen voor de rechtsvoorganger van [eiser] . De ontheffing is duidelijk niet bedoeld om de steiger en het vlot definitief te legaliseren. Zij kan daarom niet worden aangemerkt als een vergunning als bedoeld in artikel 31.3 van de planregels. De rechtbank verwerpt daarom het beroep van [eiser] op artikel 31.3 van het bestemmingsplan.
Beleidsregels voor de Amstel op grond van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006een toegangsconstructie en afmeerpalen mag realiseren, omdat deze behoren tot de basisvoorzieningen van een woonboot. De rechtszekerheid verlangt dat het college al met het primaire besluit I [eiser] hierover concreet en duidelijk had geïnformeerd. De rechtbank oordeelt daarom dat de last op dit punt te ver strekkend is. De rechtbank zal dan ook zelf in de zaak voorzien door de opgelegde last onder dwangsom te herformuleren, in die zin dat de last niet betreft het hebben van een toegangs- en afmeervoorziening, voor zover noodzakelijk voor het veilig betreden en afmeren van de woonark, in overeenstemming met de bij of krachtens de Vob 2006 daarvoor gegeven regels. De uitspraak treedt in zoverre in de plaats van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover het omvat een toegangsconstructie en afmeerpalen zoals voorzien in de
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 170,- aan [eiser] te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van € 1.002,-.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2018.
Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk
u kunt geen beroep instellen per e-mail.