Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
RK-nummer: 17/5910
[adres],
1.Procesgang
mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich wederom doen bijstaan door zijn raadsman, mr. A.G. de Jong, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Bulgaarse taal.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Grondslag en inhoud van het EAB
246/2017en houdt in dat de opgeëiste persoon
[opgeëiste persoon]dient te worden aangehouden (…) op het grondgebied van de Republiek Bulgarije, met het oog op zijn voorgeleiding in de rechtbank in Burgas (…).
4.Tussenuitspraak 7 augustus 2018
5.Detentieomstandigheden, artikel 4 Handvest Pro
personal spaceis gegarandeerd, met dien verstande dat dit niet geldt voor het geval de opgeëiste persoon in Stara Zagora “
in/als type “open” moet verblijven”.
“type open”aangeduid regime of een als
“type open”aangeduid detentiecentrum?
indien hij in Bulgarije veroordeeld wordt tot een gevangenisstraf” geldt de toezegging dat de opgeëiste persoon minimaal 4 m2 privéruimte krijgt alleen als hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf. Aldus is geen sprake van een onvoorwaardelijke garantie.
Stara Zagoramomenteel in de open afdeling niet kan worden voorzien in 4 m2 verblijfsruimte, en dat er wettelijk is voorzien in de mogelijkheid dat de opgeëiste persoon wordt overgeplaatst, om ervoor te zorgen dat aan de minimale privéruimte van 4 m² is voldaan. De rechtbank heeft daarmee geen antwoord gekregen op de vraag hoeveel m² privéruimte de opgeëiste persoon dan wel concreet ter beschikking zou staan. Uit de brief blijkt ook niet of en wanneer een overplaatsing precies zou plaatsvinden. Derhalve is nog steeds onduidelijk onder welke omstandigheden de opgeëiste persoon na overlevering gedetineerd zal raken. Aldus is de rechtbank van oordeel dat de vraag onder deze omstandigheden niet voldoende is beantwoord.
6.De redelijke termijn en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Het zeer lange tijdsverloop sinds de beslissing tot uitstel, de veelvuldige kansen die de uitvaardigende justitiële autoriteit in deze zaak heeft gekregen om de benodigde informatie te verstrekken en het feit dat sprake is van een vervolging – en aldus nog geen vaststelling omtrent de schuld van de opgeëiste persoon heeft plaatsgevonden –, leiden tot het oordeel dat de redelijke termijn in het onderhavige geval is overschreden en dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.