ECLI:NL:RBAMS:2018:6445

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 september 2018
Publicatiedatum
11 september 2018
Zaaknummer
C/13/651941 / KG ZA 18-807 MvW/RV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 551 SvArt. 6:119 BW
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering kort geding tegen strafrechtelijke ontruiming gekraakt appartement nabij Museumplein

Eiser heeft het appartement zonder toestemming gekraakt en verzet zich tegen de strafrechtelijke ontruiming die het Openbaar Ministerie wil uitvoeren. Het appartement is eigendom van Jan Luijken Vastgoed B.V. (JLV), die het pand wil gebruiken als bedrijfsruimte en op termijn wil verbouwen tot hotel, hoewel vergunningen daarvoor nog niet zijn verleend.

De voorzieningenrechter stelt vast dat eiser het appartement onrechtmatig bewoont en dat het Openbaar Ministerie op grond van artikel 551 Wetboek Pro van Strafvordering bevoegd is tot ontruiming. De proportionaliteit van deze maatregel wordt getoetst aan de belangen van eiser en JLV, waarbij het huisrecht van eiser wordt afgewogen tegen het eigendomsrecht en het belang van de openbare orde.

Eiser voert aan dat de ontruiming zal leiden tot leegstand en dat JLV het appartement niet mag gebruiken als hotel volgens de splitsingsakte en het bestemmingsplan. De rechter oordeelt echter dat JLV een gerechtvaardigd belang heeft bij ontruiming en gebruik als bedrijfsruimte, mede gezien de overeenkomst met VPS Beheer B.V. Het ontbreken van alternatieve woonruimte voor eiser weegt niet zwaarder dan het eigendomsrecht.

De vordering tot het verbieden van de ontruiming wordt daarom afgewezen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, die uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Uitkomst: De vordering tot het verbieden van de strafrechtelijke ontruiming wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/651941 / KG ZA 18-807 MvW/RV
Vonnis in kort geding van 13 september 2018
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser bij dagvaarding van 27 juli 2018,
advocaat mr. M.F. van Hulst te Utrecht,
tegen
de publieke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
gevestigd te 's-Gravenhage,
gedaagde,
advocaat mr. S.J.M. Bouwman te 's-Gravenhage.
Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Ter zitting van 30 augustus 2018 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding (waarin per abuis de achternaam van eiser is weggevallen). De Staat heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnotities in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.
Ter zitting waren onder meer aanwezig:
  • [eiser] met mr. van Hulst, voornoemd,
  • mr. Bouwman, voornoemd,
  • dhr. [naam 1] , bestuurder van Jan Luijken Vastgoed B.V.,
  • mr. S. Pentinga, advocaat van Jan Luijken Vastgoed B.V.,
  • mw. [naam 2] , eigenaresse van [naam hotel] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Jan Luijken Vastgoed B.V. (verder: JLV) is sinds april 2017 eigenaresse van het appartementsrecht rechtgevend tot het uitsluitend gebruik van het appartement gelegen aan de [adres] , [plaats] (verder: het appartement).
2.2.
Het pand gelegen aan de Jan [adres] te [plaats] is op 30 juli 2002 in appartementen gesplitst. In de splitsingsakte van 30 juli 2002, waarin het bovengenoemde appartementsrecht is geduid met indexnummer 1, is opgenomen:
“(…)
Artikel 17 lid Pro 4
De eigenaars en gebruikers zijn verplicht de privé gedeelten te gebruiken:
  • voorzover betreft de privé gedeelten behorende bij het appartementsrecht met indexnummer 1: voor particulier woongebruik door de desbetreffende eigenaar of de desbetreffende gebruiker, met dien verstande dat het de eigenaar of gebruiker is toegestaan de privé gedeelten te exploiteren als fotostudio en/of te gebruiken als kamerverhuur aan toeristen alsmede het uitoefenen van een bedrijf aan huis, anders dan in de horeca-sfeer, deze laatste beperking indien en zolang het gebruik als hotel in de volgende alinea genoemd door de huidige eigenaar nog plaatsvindt;
  • voorzover betreft de privé gedeelten behorende bij het appartementsrecht met indexnummer 2 (de bovenverdiepingen van het pand, vzr): als bedrijfsruimte (thans in gebruik als hotel) (…)
(…)”
2.3.
De bovenste verdiepingen van het pand worden door de huidige eigenaar gebruikt als hotel ( [naam hotel] ).
2.4.
In het op het pand toepasselijke bestemmingsplan is opgenomen dat het gehele pand de enkelbestemming Gemengd – 1 en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van horeca – hotel’ heeft.
2.5.
JLV heeft vergunning aangevraagd voor de verbouwing van het appartement tot hotel. Deze vergunningen zijn vooralsnog niet verleend door de gemeente.
2.6.
Op 29 juni 2018 heeft JLV een OVEREENKOMST TIJDELIJK BEHEER betreffende het appartement gesloten met VPS Beheer B.V., gevestigd te Den Haag (verder: VPS) voor onbepaalde tijd. In deze overeenkomst is opgenomen:
“(…)
Artikel 5 Bestemming Pro en gebruik van het Pand
5.1
Het Pand is uitsluitend bestemd als tijdelijk bedrijfs-/atelierruimte. (…).
5.2
VPS zal het Pand gedurende de looptijd van deze overeenkomst als een goed en zorgvuldig gebruiker (laten) gebruiken (…).
(…)”
2.7.
Op 1 juli 2018 heeft [eiser] het appartement gekraakt.
2.8.
JLV heeft op 4 juli 2018 aangifte gedaan van de kraak, en heeft bij deurwaardersexploot van 12 juli 2018 [eiser] en andere personen die in het appartement verblijven, gesommeerd het appartement te verlaten en ter beschikking van JLV te stellen.
2.9.
De Staat, de Officier van Justitie te Amsterdam, heeft op 19 juli 2018 een ontruimingsaankondiging aan [eiser] uitgereikt waarin is vermeld:
“(…)
Hierbij kondig ik u aan dat al degenen die thans wonen of vertoeven in dit pand zijn aangemerkt als verdachten van overtreding van (een van de) artikelen 138, 138a en/of 139 van het Wetboek van Strafrecht. Het voornemen bestaat om dit pand te ontruimen. Deze ontruiming zal plaatsvinden binnen acht weken na de dagtekening van deze aankondigingsbrief, te wetenvóór vrijdag 14 september 2018.
(…)”

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – de Staat, en via haar de Officier van Justitie te Amsterdam, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verbieden op strafrechtelijke gronden tot feitelijke ontruiming van het appartement over te gaan of te doen gaan, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
[eiser] stelt daartoe – kort gezegd – dat de (strafrechtelijke) ontruiming tot leegstand zal leiden. In dat geval dient zijn belang bij zijn woonrecht zwaarder te wegen dan het belang van de Staat bij de handhaving van de openbare orde of de bescherming van de belangen van de eigenaar. JLV wenst van het appartement een hotel te maken. Dit is in strijd met de splitsingsakte. Bovendien heeft de gemeente de aanvraag voor een omgevingsvergunning geweigerd. JLV heeft in haar aanvraag en plannen voor de verbouwing tot hotel onvoldoende rekening gehouden met de monumentale staat van het pand. In het geval JLV en anderen het appartement dienen te betreden voor nader onderzoek (bijvoorbeeld voor de vergunningsaanvraag), zal [eiser] daar toestemming voor geven en medewerking verlenen. JLV heeft op dit moment geen belang om te kunnen beschikken over het appartement, terwijl [eiser] geen (betaalbare) woning zal hebben als de aangekondigde strafrechtelijke ontruiming wordt voortgezet, aldus steeds [eiser] .
3.3.
De Staat voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Met de aard van het gevorderde en het daaraan ten grondslag gelegde acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij de vordering gegeven. Het spoedeisend belang is voorts niet door de Staat betwist.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] het appartement bewoont zonder toestemming van JLV. Verder heeft JLV bezwaar gemaakt tegen dit gebruik van de woning door aangifte te doen van huisvredebreuk. Het Openbaar Ministerie mocht bij de uitoefening van de in artikel 551 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) gegeven bevoegdheid op goede gronden aannemen dat in deze zaak is voldaan aan de eis van wederrechtelijkheid als bedoeld in dat artikel en dat tot ontruiming kan worden overgegaan. De ontruiming moet echter wel aan de eisen van proportionaliteit voldoen.
4.3.
Wat betreft de proportionaliteit dient de voorzieningenrechter te onderzoeken of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten van derden boven het huisrecht van de kraker in het concrete geval de proportionaliteitstoets kan doorstaan. Een dergelijke belangenafweging kan alleen plaatsvinden als de kraker feiten of omstandigheden aanvoert en aannemelijk maakt die in het concrete geval tot een andere dan de door de wetgever gemaakte afweging leiden, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat een eigenaar het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil. Toetsing dient plaats te vinden tegen de achtergrond van het bestaan van een huisrecht, de ernst van de inbreuk, de mate waarin door de voorgenomen maatregel legitieme belangen van derden worden beschermd, de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van de vestiging in het appartement en de potentiële onomkeerbaarheid van een beslissing. Vergelijk Hoge Raad, 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9880.
4.4.
[eiser] heeft – voor zover in dit geschil van belang – gesteld dat de aangekondigde ontruiming slechts zal leiden tot leegstand omdat JLV het doel heeft het appartement te verbouwen tot hotel. Dit is niet mogelijk omdat het gebruik van het appartement als hotel is uitgesloten in artikel 17 lid 4 van Pro de splitsingsakte. Daarnaast is een vergunningsaanvraag van JLV om het appartement te verbouwen tot hotel door de gemeente geweigerd, aldus steeds [eiser] , en vreest hij dat JLV het appartement zal laten verkrotten.
4.5.
Daarbij gaat [eiser] voorbij aan de overeenkomst voor tijdelijk beheer die JLV heeft gesloten met VPS ter zake het in gebruik nemen (en geven aan derden) van het appartement als bedrijfs- of atelierruimte. Overigens is ter zitting namens de Staat toegelicht dat het tijdelijk gebruik wellicht (ook) voor bewoning zal zijn. Dat JLV een belang heeft bij de ontruiming is dan ook voldoende aannemelijk, ongeacht haar plannen om het appartement op termijn te verbouwen tot hotel. Het mogelijke bezwaar daartegen door de eigenaresse van het andere appartement in het pand en het verbod in de splitsingsakte om het appartement te gebruiken als hotel, staan thans niet in de weg aan de wens van JLV om zelf over het appartement te kunnen beschikken en het te gebruiken als omschreven in de beheerovereenkomst met VPS.
4.6.
Daarnaast heeft [eiser] betoogd dat hij niet beschikt over een alternatieve, betaalbare, woonruimte in Amsterdam. Deze omstandigheid kan in de belangenafweging niet tot een ander oordeel leiden omdat de wetgever het ontbreken van andere huisvesting al bij de onder 4.3 vermelde afweging in abstracto heeft meegewogen.
4.7.
Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de aangekondigde strafrechtelijke ontruiming de proportionaliteitstoets kan doorstaan. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
4.8.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.606,00 (€ 626,00 aan griffierecht plus € 980,00 aan salaris advocaat). De door de Staat verzochte vermeerdering van deze kosten met de wettelijke rente zal worden toegewezen als na te melden.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorziening,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.606,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek vanaf vijftien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag der voldoening,
5.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2018. [1]

Voetnoten

1.type: RERV