ECLI:NL:RBAMS:2018:6187

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 juli 2018
Publicatiedatum
28 augustus 2018
Zaaknummer
6723392 CV EXPL 18-5483
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 555 RvArt. 444 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming waterperceel wegens ontbreken huurovereenkomst met gemeente Amsterdam

De gemeente Amsterdam vordert ontruiming van een waterperceel dat door een roeivereniging wordt gebruikt. De vereniging erkent geen huurovereenkomst met de gemeente te hebben en beroept zich op een publiekrechtelijke ontheffing voor ligplaats, wat echter door de gemeente wordt betwist.

De rechtbank stelt vast dat het gebruik van het waterperceel zonder privaatrechtelijke toestemming is en dat een publiekrechtelijke ontheffing niet gelijkstaat aan een privaatrechtelijke gebruiksrecht. Er is geen impliciete toestemming gebleken en de eerdere huurovereenkomst is beëindigd.

De rechtbank wijst de vordering tot ontruiming toe, stelt een termijn van zes maanden voor ontruiming vast en veroordeelt de vereniging in de proceskosten. De ontruiming kan zo nodig met behulp van de sterke arm worden uitgevoerd.

Uitkomst: De roeivereniging is veroordeeld tot ontruiming van het waterperceel binnen zes maanden en betaling van proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 6723392 CV EXPL 18-5483
vonnis van: 27 juli 2018 (bij vervroeging)
fno.: 8622

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de gemeente Gemeente Amsterdam

gevestigd te Amsterdam
eiseres
nader te noemen: de gemeente Amsterdam
gemachtigde: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer
t e g e n

[gedaagde]

gevestigd te [vestigingsadres]
gedaagde
nader te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: mr. B.J. Meruma

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken bevinden zich in het dossier:
- de dagvaarding van 26 februari 2018 met producties;
- de conclusie van antwoord met producties,
- tussenvonnis en vervolgens dagbepaling comparitie.
De comparitie heeft plaats gevonden op 29 juni 2018. Namens de gemeente Amsterdam zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , vergezeld door
mr. M. van Muijen, advocaat bij de gemeente Amsterdam. Namens [gedaagde] is verschenen [naam 3] met de gemachtigde. Tevens is een groot aantal leden van [gedaagde] ter zitting verschenen. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. De gemachtigde van de gemeente Amsterdam heeft pleitaantekeningen overgelegd. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:
1.1.
Op 15 juli 1928 is [naam vereniging 1] opgericht, KvK-nummer [KvK-nummer 1] .
1.2.
Vanaf 1950 faciliteerde deze vereniging roei- en zeilactiviteiten van medewerkers van [naam concern] . In 1953 is de vereniging [naam vereniging 2] ” opgericht. In ieder geval vanaf 1969 vinden roeiactiviteiten plaats vanaf de ark “ [naam ark] ”, die ligplaats heeft in [adres] te [plaats] , tussen [plek 1] en [plek 2] .
1.3.
Voornoemde vereniging met KvK-nummer [KvK-nummer 1] is op 30 mei 2006 een huurovereenkomst (verder: de huurovereenkomst) met de gemeente Amsterdam aangegaan voor het waterperceel aan [adres] te [plaats] (verder: het waterperceel). De huur is aangegaan met ingang van 1 april 2006 voor een periode van vijf jaren, met een optie voor verlenging tot maart 2016.
1.4.
Voornoemde vereniging met KvK-nummer [KvK-nummer 1] is op 31 maart 2011 ontbonden.
1.5.
Op 23 april 2013 is [gedaagde] opgericht, KvK-nummer [KvK-nummer 2] . Deze laatste vereniging maakt op dit moment gebruik van het waterperceel.
1.6.
Op 2 maart 2016 heeft de gemeente Amsterdam in een brief, gericht aan [gedaagde] , de huurovereenkomst opgezegd per 30 juni 2016.
1.7.
Op 8 november 2016 schreef de gemeente Amsterdam in een brief aan [gedaagde] onder meer:
Naar aanleiding van deze huuropzegging [van 3 maart 2016, ktr] is er een overleg geweest tussen de vereniging en de gemeente. (…) Inmiddels is gebleken dat er geen alternatieve locatie beschikbaar is, of binnen afzienbare tijd beschikbaar komt. (…) Zekerheidshalve en voor zover nodig zegt de gemeente de overeenkomst middels dit schrijven nogmaals op tegen 1 december 2017. Dit betekent dat het perceel uiterlijk op die datum geheel ontruimd dient te worden opgeleverd. De [naam ark] moet op dat moment verwijderd zijn.

vordering en verweer

2. De gemeente Amsterdam vordert – kort gezegd – ontruiming van het waterperceel aan [adres] te [plaats] met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van die ontruiming en deze procedure.
3. Aan de vorderingen legt de gemeente Amsterdam primair ten grondslag dat inmiddels is gebleken dat met [gedaagde] geen huurovereenkomst bestaat, zodat die vereniging het waterperceel zonder recht of titel in gebruik heeft. Subsidiair is de huur rechtsgeldig beëindigd, aldus de gemeente Amsterdam.
4. [gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen. Op dat verweer zal bij de beoordeling, voor zover van belang, worden ingegaan.

beoordeling

5. [gedaagde] heeft ter zitting erkend dat zij geen huurovereenkomst heeft met de gemeente Amsterdam. Daarmee ontbreekt een civielrechtelijke grondslag voor gebruik van het waterperceel. [gedaagde] heeft echter aangevoerd dat er wel een publiekrechtelijke titel is op grond waarvan zij het waterperceel gebruikt, in de vorm van een ontheffing om ligplaats te nemen. Zo is het ook voor andere schepen in de Amstel geregeld. De tegenprestatie is dan een precariobelasting. Voor zover zou blijken dat die titel ontbreekt, kan [gedaagde] die alsnog verkrijgen, zo voert zij aan.
6. De gemeente Amsterdam heeft het bestaan van een publiekrechtelijke gebruikstitel betwist. Een dergelijke titel zou [gedaagde] ook niet krijgen als zij deze nu aan zou vragen, aldus de gemeente Amsterdam.
7. Als al sprake zou zijn van een ontheffing om ligplaats te nemen, dan moet die worden onderscheiden van de privaatrechtelijke bevoegdheid van de gemeente Amsterdam al dan niet toestemming te geven voor het gebruik van het water waar de [naam ark] is afgemeerd, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad waarnaar ook [gedaagde] zelf heeft verwezen (HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0736, in het bijzonder r.o. 3.4.1). Voor zover [gedaagde] zich er op heeft willen beroepen dat een (bestaande of nog aan te vragen) ontheffing privaatrechtelijke toestemming impliceert, geldt dat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit een impliciete toestemming kan worden afgeleid. Integendeel: een impliciete toestemming is in strijd met het feit dat privaatrechtelijke toestemming tot voor kort afzonderlijk in een huurovereenkomst was vastgelegd. Nu ook een expliciete toestemming – in de vorm van een huurovereenkomst tussen de gemeente Amsterdam en [gedaagde] – ontbreekt, is de gevorderde ontruiming op de primaire grondslag toewijsbaar.
8. Aan een belangenafweging komt de kantonrechter bij die stand van zaken niet toe. Wel ziet de kantonrechter in de door [gedaagde] genoemde belangen – waaronder het gegeven dat alle gestalde boten van verschillende eigenaren elders moeten worden ondergebracht – aanleiding de ontruiming uit te spreken op een termijn van zes maanden.
9. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten van een eventuele ontruiming kunnen niet op voorhand worden begroot en zullen worden afgewezen.

BESLISSING

De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] het waterperceel gelegen aan [adres] te [plaats] , met een oppervlakte van 692 m2, met al de haren en het hare binnen zes maanden na heden te ontruimen en aan de gemeente Amsterdam ter beschikking te stellen en ontruimd te houden, welke ontruiming zo nodig bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 jo Pro. 444 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde;
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de gemeente Amsterdam begroot op:
exploot € 98,01
salaris € 400,00
griffierecht € 119,00
-----------------
totaal € 617,01
voor zover van toepassing, inclusief btw;
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief btw;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.