ECLI:NL:RBAMS:2018:5229
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na woninginbraken en diefstal
De rechtbank Amsterdam heeft op 17 juli 2018 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde. Veroordeelde is veroordeeld voor woninginbraak en diefstal gedurende de voor nachtrust bestemde tijd, gepleegd met braak en verbreking. Daarnaast bestaat er voldoende aanwijzing dat hij medeplichtig was aan een andere woninginbraak.
De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van €33.565,74, dat later werd teruggebracht tot €3.830,70. De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €1.456,44, gebaseerd op de waarde van gestolen sieraden en kratten, waarbij rekening is gehouden met de gebruikelijke helerspercentages en de verdeling van opbrengsten en kosten tussen daders.
De rechtbank verwierp de vordering tot ontneming van voordeel uit andere inbraken wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid van veroordeelde. Op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht is veroordeelde verplicht tot betaling van €1.456,44 aan de Staat.
Het vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers, voorzitter, en mrs. W.M.C. van den Berg en R.A.J. Hübel, rechters, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 juli 2018.
Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €1.456,44 aan de Staat als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.