ECLI:NL:RBAMS:2018:104

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 januari 2018
Publicatiedatum
11 januari 2018
Zaaknummer
13-751140-17 RK 17-1500
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 11b OpiumwetArt. 2 Uitleveringswet
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelaatbaarheid uitlevering aan Servië met advies over detentiegeschiktheid wegens psychische problematiek

De rechtbank Amsterdam behandelde het uitleveringsverzoek van de Servische autoriteiten tegen een verdachte zonder vaste verblijfplaats in Nederland, die sinds november 2017 gedetineerd is in een psychiatrisch centrum. Na meerdere zittingen en wisselingen van juridische bijstand, werd het onderzoek heropend en voortgezet met een nieuwe raadsman. De identiteit en nationaliteit van de verdachte werden bevestigd.

De uitlevering werd gevraagd ter strafvervolging voor feiten die zowel in Servië als Nederland strafbaar zijn met een vrijheidsstraf van ten minste één jaar. De rechtbank verifieerde de authenticiteit en vorm van het aanhoudingsbevel en stelde vast dat aan de wettelijke en verdragseisen was voldaan. Er waren geen weigeringsgronden aangevoerd.

De raadsman bracht psychische problematiek van de verdachte naar voren, ondersteund door een brief van het psychiatrisch centrum, en verzocht de Minister van Justitie en Veiligheid dit mee te wegen bij het oordeel over uitlevering. De officier van justitie stemde in met de toelaatbaarheid van uitlevering, met het advies om de detentiegeschiktheid te betrekken.

De rechtbank oordeelde dat de uitlevering toelaatbaar is en adviseerde de Minister om de psychische toestand en detentiegeschiktheid van de verdachte mee te wegen bij het uiteindelijke besluit over uitlevering. De verdachte kan binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.

Uitkomst: De uitlevering van de verdachte aan Servië wordt toelaatbaar verklaard met een advies aan de Minister om de detentiegeschiktheid mee te wegen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751140-17
RK nummer: 17/1500
uitspraak: 11 januari 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Uitleveringswet van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 6 maart 2017, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Veiligheid en Justitie (thans:
Minister van Justitie en Veiligheid) ontvangen verzoek van de Servische autoriteiten tot uitlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië) op [geboortedatum] 1974,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
sinds 14 november 2017 gedetineerd in het [Psychiatrisch centrum] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang.

Zitting 6 juli 2017De rechtbank heeft op 6 juli 2017 de opgeëiste persoon en de officier van justitie, mr. U.E.A. Weitzel, ter openbare zitting gehoord. De opgeëiste persoon werd bijgestaan door een tolk in de Servo-Kroatische taal. De rechtbank heeft de gevangenhouding bevolen en het onderzoek gesloten.
Met betrekking tot de aan de opgeëiste persoon verleende juridische bijstandGebleken is dat aan de opgeëiste persoon in een eerder stadium een raadsman was toegevoegd (mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam) maar dat hij diens bijstand niet wenste.
De inhoudelijke behandeling van het uitleveringsverzoek stond eerder gepland op 18 mei 2017 maar is niet doorgegaan omdat een nieuwe advocaat ten behoeve van de opgeëiste persoon werd gezocht.
Vervolgens is aan de opgeëiste persoon als raadsvrouw mr. T.J. Linthout, advocaat te Rotterdam, (abusievelijk)
toegevoegden is een nieuwe behandeldatum vastgesteld, te weten
15 juni 2017.
Bij de stukken bevindt zich een brief van 7 juni 2017 van mr. T.J. Linthout, waarin deze meedeelt zich als
gekozenadvocaat genoodzaakt te zien om haar moverende redenen de verdediging neer te leggen.
Vervolgens heeft de opgeëiste persoon meegedeeld geen nieuwe advocaat te wensen.
De opgeëiste persoon is op 6 juli 2017 niet door een advocaat bijgestaan en verklaarde aanvankelijk dat ook niet te wensen. Van dit standpunt is hij uiteindelijk teruggekomen.
Tussenuitspraak 20 juli 2017Bij tussenuitspraak van 20 juli 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst. Op grond van artikel 24, derde lid, Uitleveringswet heeft de voorzitter aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last gegeven tot aanwijzing van een raadsman aan de opgeëiste persoon.
Zitting 28 december 2017
Met instemming van de officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon hervat de rechtbank het onderzoek in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing van 20 juli 2017.
Gehoord zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn (nieuwe) raadsman mr. T. Nieuwburg, advocaat te Amsterdam.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Servo-Kroatische taal.

2.Beoordeling.

Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Servische nationaliteit heeft.
Grondslag en inhoud van het uitleveringsverzoek
De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ter strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor zijn aanhouding is gelast en zoals die zijn omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van de
indictmentvan 13 juni 2013 van
the High Public Prosecutor’s Officein Novi Sad (Servië).
Het bevel tot aanhoudingDe rechtbank heeft, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1402), zich ervan vergewist of het bevel tot aanhouding, te weten de
decision, van 21 maart 2013, afgegeven door
the Investigative JudgeA. Kurjački, verbonden aan
the High Courtin Novi Sad, voldoet aan de vereisten van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder a van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957, (Trb.65, 9).
Dit is het geval, het bevel betreft een authentiek afschrift, zoals ook bevestigd is door de officier van justitie, en het is opgemaakt in de vorm, voorgeschreven door de wet van de verzoekende Partij.
Strafbaarheid
De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zijn naar Servisch recht strafbaar en daarvoor kan telkens een vrijheidsstraf met een maximum van tenminste één jaar worden opgelegd, terwijl die feiten naar Nederlands recht als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar zijn en daarvoor telkens een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd.
Standpunten
Het standpunt van de raadsmanDe raadsman heeft zich met betrekking tot de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Hij heeft de rechtbank verzocht de Minister van Justitie en Veiligheid te adviseren rekening te houden met de psychiatrische problematiek waaraan de opgeëiste persoon lijdt en die is onderbouwd met een brief met diverse bijlagen van 27 december 2017, afkomstig van drs. R.N. van der Plank, algemeen directeur en hoofd van het [Psychiatrisch centrum] .
De vordering van de officier van justitieDe officier van justitie heeft gevorderd de uitlevering toelaatbaar te verklaren. Weigeringsgronden zijn er niet en deze zijn ook niet gesteld. De feiten zijn dubbel strafbaar.
De opgeëiste persoon heeft de Servische nationaliteit en heeft geen binding met Nederland.
De officier van justitie acht het van belang dat de Minister van Justitie en Veiligheid kennis neemt van de problematiek en de mate van detentiegeschiktheid van de opgeëiste persoon, zoals deze kan blijken uit eerder genoemde brief met bijlagen. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat nu nog onvoldoende duidelijkheid bestaat omtrent de ontwikkeling van de psychische toestand van de opgeëiste persoon.
Oordeel rechtbankDe rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat er geen gronden zijn die in de weg staan aan de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de verzoekende Staat, Servië. Zij komt dan ook tot de volgende beslissing.
Advies aan de Minister van Justitie en VeiligheidDe rechtbank ziet in hetgeen is aangevoerd en onderbouwd, aanleiding de Minister van Justitie en Veiligheid te adviseren de detentiegeschiktheid van de opgeëiste persoon te betrekken bij diens oordeel over de inwilligbaarheid van het verzoek.
Slotsom
Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd is bevonden dat aan alle daarvoor in de Wet en het toepasselijk Verdrag gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.

3.Toepasselijke wetsartikelen.

Artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet;
artikel 2 van Pro de Uitleveringswet;
de artikelen 1, 2 en 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb.65, 9) en artikel 5 van Pro het Tweede Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (Trb.1979, 120).

4.Beslissing.

Verklaart
TOELAATBAARde door de autoriteiten van de Republiek Servië verzochte uitlevering van
[opgeëiste persoon]voornoemd ter strafvervolging terzake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals vermeld in de aan deze uitspraak gehechte bijlage.
Aldus gedaan door
mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,
mrs. C. Klomp en B. Poelert, rechters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 11 januari 2018.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 31 van Pro de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.