Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 november 2017 in de zaak tussen
[de vrouw] , te Amsterdam, eiseres
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
.
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde het beroep van eiseres tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Amsterdam. De kern van het geschil betrof de bevoegdheid van de ambtenaren die de aanslag oplegden en de bezwaaruitspraak deden, alsmede de rechtmatigheid van de intrekking van een bedrijfsparkeervergunning.
Eiseres voerde aan dat de uitspraak op bezwaar door een onbevoegde directeur was gedaan en dat de vertegenwoordiger in beroep niet bevoegd was. De rechtbank oordeelde dat ondanks een mogelijk ondertekeningsgebrek, de directeur parkeren wel degelijk bevoegd was. Ook werd vastgesteld dat de heffingsambtenaar die in beroep optrad, geacht wordt bevoegd te zijn, mede gelet op jurisprudentie van de Hoge Raad.
Verder stelde eiseres dat de intrekking van de bedrijfsparkeervergunning niet correct was bekendgemaakt, omdat deze naar een opgeheven vestiging was gestuurd. De rechtbank oordeelde dat de bekendmaking rechtsgeldig was, aangezien de vergunninghouder geen adreswijziging had doorgegeven en het college de bekendmaking naar het laatst bekende adres mocht sturen.
De rechtbank concludeerde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd, dat het beroep ongegrond is en dat er geen aanleiding is tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag bevestigd.