De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 oktober 2017 een vordering tot overlevering van een Nederlandse onderdaan aan België, gebaseerd op een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Parket van de Procureur des Konings te Turnhout. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier jaar, waarvan nog een deel resteert, opgelegd door de correctionele rechtbank Antwerpen.
De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct was en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. De overlevering werd getoetst aan de bepalingen van de Overleveringswet (OLW), waarbij onder meer werd beoordeeld of de strafbare feiten ook in Nederland strafbaar zijn (dubbele strafbaarheid) en of de garanties met betrekking tot het vonnis en de rechtsmiddelen voldeden.
De rechtbank oordeelde dat de waarborgen in het EAB en de aanvullende garantie van de Belgische autoriteiten voldoen aan de wettelijke eisen, waaronder de toezegging dat de opgeëiste persoon na overlevering onverwijld persoonlijk wordt geïnformeerd over zijn rechten. Ook werd het verweer van de verdediging betreffende de detentieomstandigheden in België verworpen, omdat er geen objectieve aanwijzingen waren voor een reëel gevaar op onmenselijke behandeling.
Gelet op het ontbreken van weigeringsgronden en het voldoen aan alle wettelijke vereisten, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.