ECLI:NL:RBAMS:2017:7515

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 oktober 2017
Publicatiedatum
12 oktober 2017
Zaaknummer
13/751618-17
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 310 SrArt. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 2 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering van Nederlandse onderdaan aan België op grond van Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 oktober 2017 een vordering tot overlevering van een Nederlandse onderdaan aan België, gebaseerd op een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Parket van de Procureur des Konings te Turnhout. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van vier jaar, waarvan nog een deel resteert, opgelegd door de correctionele rechtbank Antwerpen.

De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct was en dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. De overlevering werd getoetst aan de bepalingen van de Overleveringswet (OLW), waarbij onder meer werd beoordeeld of de strafbare feiten ook in Nederland strafbaar zijn (dubbele strafbaarheid) en of de garanties met betrekking tot het vonnis en de rechtsmiddelen voldeden.

De rechtbank oordeelde dat de waarborgen in het EAB en de aanvullende garantie van de Belgische autoriteiten voldoen aan de wettelijke eisen, waaronder de toezegging dat de opgeëiste persoon na overlevering onverwijld persoonlijk wordt geïnformeerd over zijn rechten. Ook werd het verweer van de verdediging betreffende de detentieomstandigheden in België verworpen, omdat er geen objectieve aanwijzingen waren voor een reëel gevaar op onmenselijke behandeling.

Gelet op het ontbreken van weigeringsgronden en het voldoen aan alle wettelijke vereisten, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de Nederlandse onderdaan aan België toe voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751618-17
RK nummer: 17/4874
Datum uitspraak: 12 oktober 2017
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 31 juli 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 mei 2017 door het Parket van de Procureur des Konings te Turnhout (België) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 september 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J.C. Sneep, advocaat te Breda .
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, van 22 maart 2017 (griffienummer 481/2017, inzake 15RT12856).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren. Van deze straf resteert volgens het EAB nog vier jaren, te verminderen met ondergane voorlopige hechtenis van 17 april 2015 tot 21 december 2015. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en een aanvullende e-mail van 4 september 2017. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel en deze e-mail is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Artikel 6, tweede lid, OLW verbiedt de overlevering van een Nederlander indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf.
De overlevering kan dan ook alleen worden toegestaan indien het vonnis bij verstek is gewezen en de opgeëiste persoon de mogelijkheid geboden wordt enig rechtsmiddel tegen het vonnis in te stellen teneinde in persoon ter terechtzitting te verschijnen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a tot Pro en met c OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12 sub d OLW Pro mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan onder het beding dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld (i) dat het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB het volgende vermeld:
“De beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar de beslissing zal hem na de overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend; en de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij het recht heft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuwe bewijsmateriaal wordt toegelaten en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; en de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet (namelijk 15 dagen) of hoger beroep aan te tekenen (namelijk 30 dagen).”
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze garantie aan de eisen van artikel 12 sub d OLW Pro en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing.

4.Strafbaarheid

4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten 1 en 2, zoals genoemd in de e-mail van 4 september 2017, waarvoor de overlevering verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
4.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten 3, 4 en 5 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW gestelde eisen.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd
en
Diefstal

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
Het Parket van de Procureur des Konings Antwerpen, afdeling Turnhout, heeft bij brief van 4 september 2017 de volgende garantie gegeven:
Overeenkomstig artikel 5 § 3 van het Kaderbesluit dd 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon].
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren teneinde de straf of maatregel aldaar te ondergaan.
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht een strafbare feiten opleveren.
Met betrekking tot de feiten onder 4.2 is, zoals hierboven geoordeeld, aan deze voorwaarde voldaan.
Ook de onder 4.1 bedoelde feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod
Aan deze voorwaarde is voldaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6.Detentieomstandigheden

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de officier van justitie op te dragen een garantie te vragen aan de Belgische autoriteiten dat de detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon zullen voldoen aan de internationale normen, om te voorkomen dat inwilliging van het overleveringsverzoek zal leiden tot een flagrante schending van de in artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (verder: het EVRM) en het overeenkomstige artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (verder: het Handvest) vastgelegde rechten van de opgeëiste persoon. Hij heeft daartoe aangevoerd dat in andere recente zaken de Belgische autoriteiten ook dergelijke garanties hebben gegeven en dat een en ander in de situatie van de opgeëiste persoon temeer klemt omdat hij van maart tot en met december 2015 al in Turnhout gedetineerd is geweest, in welke periode er ook stakingen van het gevangenispersoneel plaatsvonden en hij de omstandigheden daar als onmenselijk heeft ervaren.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van het verweer.
Oordeel rechtbank
Recentelijk heeft de rechtbank, onder meer bij uitspraken van 18 augustus 2017 en 29 augustus 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:6114 en ECLI:NL:RBAMS:2017:6234) – kort gezegd – geoordeeld dat de beschikbare objectieve informatie niet de conclusie rechtvaardigt dat er sprake is van een algemeen (reëel) gevaar in Belgische gevangenissen op een onmenselijke of vernederende behandeling. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om navraag te doen bij de Belgische autoriteiten, zoals door de raadsman verzocht. De rechtbank verwerpt het verweer.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW Pro en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 225 en 310 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 6 en 7 Overleveringswet.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het Parket van de Procureur des Konings te Turnhout (België) ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek in verband met het nog niet onherroepelijke vonnis wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. J. Edgar, voorzitter,
mrs. R.A.J. Hübel en A. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 12 oktober 2017.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.