AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming overlevering opgeëiste persoon aan Hongarije en voorrang Duits Europees Aanhoudingsbevel
De rechtbank Amsterdam behandelde op 24 januari 2017 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Hongarije op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 20 juli 2016. De opgeëiste persoon werd verdacht van vervalsing met inbegrip van namaak van de euro, een feit dat volgens de Nederlandse Overleveringswet (OLW) strafbaar is en waarvoor een gevangenisstraf van ten minste drie jaar staat.
De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en bevestigde diens Kroatische nationaliteit. Verweren op grond van lopende Nederlandse strafzaken werden verworpen, mede omdat geen sprake was van dubbele vervolging en de officier van justitie toezegde dat de opgeëiste persoon niet voor dezelfde feiten in Nederland zou worden vervolgd. Ook werd geoordeeld dat de opgeëiste persoon niet in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6 OLWPro, omdat hij geen duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft.
De rechtbank beoordeelde de detentieomstandigheden in Hongarije en concludeerde dat er geen concreet reëel gevaar bestaat op onmenselijke of vernederende behandeling in de penitentiaire instellingen Szombathely of Tiszalök. Gezien het voldoen aan de wettelijke eisen en het ontbreken van weigeringsgronden, werd de overlevering toegestaan.
Daarnaast constateerde de rechtbank samenloop met een Duits EAB en bevestigde zij de voorrang van het Duitse EAB, omdat het onderzoek daar gereed is en de Duitse autoriteiten een voorlopige terbeschikkingstelling wensen. De uitspraak is definitief en staat geen gewoon rechtsmiddel toe.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering aan Hongarije toe en bevestigt voorrang aan het Duitse Europees aanhoudingsbevel.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751987-16
RK-nummer: 16/8144
Datum uitspraak: 7 februari 2017
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 vanPro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 november 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 juli 2016 door the Central District Court of Buda (Hongarije)en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië) op [geboortedag] 1974,
niet ingeschreven in de Basisregistratie personen,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats detentie] ,
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.
1.Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 januari 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. F. van Dijk, advocaat te Den Haag, en door een tolk in de Kroatische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Kroatische nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een Decision No. 29022/96-40/2016 bü. of the Budapest 6th and 7th District’s Prosecutor’s Office approved as of 29 june 2016 on the issuing of an arrest warrant.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Hongarije strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4.Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 10, te weten:
vervalsing met inbegrip van namaak van de euro.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
5.Verweren op grond van Nederlandse strafzaken
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de verweren van de raadsman ex artikelen 9 en 11 van de OLW op grond van in Nederland lopende strafzaken tegen de opgeëiste persoon moeten worden verworpen.
Wat betreft het beroep op de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, onder a, van de OLW geldt dat uit de door de raadsman overgelegde stukken niet blijkt dat de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd voor dezelfde feiten als waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder heeft de officier van justitie ter zitting toegezegd dat de opgeëiste persoon niet - ook - in Nederland zal worden vervolgd voor de feiten die ten grondslag liggen aan het EAB.
Wat betreft het beroep op de weigeringsgrond van artikel 11 vanPro de OLW geldt dat wat de raadsman in dat kader heeft aangevoerd niet in de weg kan staan aan de toelaatbaarverklaring door de rechtbank van de verzochte overlevering. De raadsman heeft gesteld dat de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon, mogelijk in de vorm van een voorlopige terbeschikkingstelling, de verdedigingsrechten (artikel 6 vanPro het EVRM) van de opgeëiste persoon in de lopende Nederlandse strafzaken zou kunnen aantasten. De beslissingen over de feitelijke overlevering en voorlopige terbeschikkingstelling zijn echter volgens de artikelen 35 en 36 van de OLW voorbehouden aan de officier van justitie dan wel de Minister. Bovendien doet de door de raadsman gestelde situatie zich thans niet voor.
De rechtbank is, met de officier van justitie en anders dan de raadsman, van oordeel dat de opgeëiste persoon niet in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, van de OLW. De raadsman heeft niet aangetoond dat wordt voldaan aan één van de drie in voormeld artikellid vermelde voorwaarden voor gelijkstelling, te weten het bezit van een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd dan wel het voldoen aan de materiële voorwaarden voor het bezit van een met een dergelijke vergunning gelijk te stellen duurzaam verblijfsrecht voor EU-onderdanen. De opgeëiste persoon komt dan ook niet in aanmerking voor een terugkeergarantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid van de OLW.
Het verzoek van de raadsman om aanhouding om alsnog stukken te kunnen overleggen teneinde aan te tonen dat de opgeëiste persoon over voornoemd duurzaam verblijfsrecht beschikt, wordt afgewezen. De raadsman heeft ter zitting slechts stukken overgelegd die zien op verblijf van de opgeëiste persoon in Nederland vanaf 2014. Daarmee is nog geen begin van aannemelijkheid gemaakt met betrekking tot het bezit van een duurzaam verblijfsrecht.
7.Detentieomstandigheden
De rechtbank heeft eerder aangenomen dat een algemeen reëel gevaar bestaat dat gedetineerden in Hongarije een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 vanPro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) ondergaan.
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank onderzocht of er voor de opgeëiste persoon een concreet reëel gevaar bestaat op een dergelijke onmenselijke of vernederende behandeling.
Uit de informatie van de Hongaarse autoriteiten blijkt dat de opgeëiste persoon in Hongarije zal worden geplaatst in de penitentiaire instelling van Szombathely of Tiszalök. De rechtbank heeft in eerdere, recente uitspraken al geoordeeld dat er geen bewijzen zijn dat personen die in die instellingen gedetineerd zijn, onmenselijk of vernederend worden behandeld (zie: ECLI:NL:RBAMS:2016:7720 en ECLI:NL:RBAMS:2016:4966). Artikel 4 vanPro het Handvest staat derhalve niet in de weg aan het toelaatbaar verklaren van de verzochte overlevering.
8.Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
9.Samenloop EAB’s
De rechtbank constateert dat sprake is van samenloop van het onderhavige EAB met het tegen de opgeëiste persoon uitgebrachte EAB van 5 december 2016 van het Openbaar Ministerie Ingolstadt (Duitsland). De rechtbank zal eveneens bij uitspraak van heden de overlevering toestaan in deze Duitse EAB-zaak (parketnummer: 13/751011-17).
De officier van justitie heeft ter zitting te kennen gegeven dat voorrang dient te worden gegeven aan de uitvoering van het Duitse EAB, omdat het onderzoek in Duitsland gereed is en de Duitse autoriteiten – anders dan de Hongaarse autoriteiten – desgevraagd hebben verklaard een voorlopige terbeschikkingstelling van de opgeëiste persoon te wensen.
De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid tot haar keuze heeft kunnen komen en zal de verzochte voorrang in deze uitspraak bevestigen.
10.Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
11.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan the Central District Court of Buda (Hongarije)ten behoeve van het in Hongarije tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
BEVESTIGTdat voorrang dient te worden gegeven aan het Duitse EAB (parketnummer: 13/751011-17), ten aanzien waarvan de rechtbank eveneens bij uitspraak van heden de overlevering toestaat, boven het onderhavige Hongaarse EAB (parketnummer: 13/751987-16),
Aldus gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. E.M.M. Gabel en B. Poelert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 7 februari 2017.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.