De rechtbank Amsterdam behandelde op 28 februari 2017 een vordering tot overlevering van een verdachte aan Hongarije op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De verdachte wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met belastingfraude en het niet voldoen aan administratieplicht. De rechtbank heeft de identiteit van de verdachte vastgesteld en de omschrijving van de feiten in het EAB als voldoende gedetailleerd beoordeeld.
De rechtbank oordeelde dat de strafbare feiten op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet vallen, waardoor toetsing van dubbele strafbaarheid achterwege kan blijven. Over de detentieomstandigheden in Hongarije werd geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn voor onmenselijke of vernederende behandeling in de penitentiaire instellingen Szombathely of Tiszalök.
Het verweer van de verdediging dat de verdachte bij overlevering vreest voor zijn leven en onvoldoende bescherming krijgt, werd afgewezen wegens gebrek aan concrete en onderbouwde feiten. De rechtbank vertrouwt erop dat de Hongaarse autoriteiten de verdachte adequaat zullen beschermen. De overlevering wordt daarom toegestaan en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen deze uitspraak open.