Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 april 2017 in de zaak tussen
de vennootschap onder firma V.O.F. [bedrijf] , te Amsterdam, verzoekster
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
De Afdeling merkt op dat bij de parlementaire behandeling van de Vierde tranche van de Awb in 2004 de regering reeds is ingegaan op de kwestie van de schorsende werking van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De wetgever achtte de schorsende werking niet gewenst, omdat daarmee de slagvaardigheid van het bestuursrecht in gevaar zou komen. Omdat de wetgever besefte dat reeds op dat moment zeer hoge boetes met onevenredige financiële lasten voor de justitiabele in geval van de verplichting tot onmiddellijke betaling, bijvoorbeeld op het gebied van mededinging, konden worden opgelegd, koos hij ervoor alleen bij wijze van uitzondering de schorsende werking aan rechtsmiddelen in enkele bijzondere wetten te verlenen. Bovendien zou het ontbreken van de schorsende werking in het bestuursrecht niet problematisch zijn nu de justitiabele altijd om opschorting van de tenuitvoerlegging van de boete kan vragen in de voorlopige voorziening procedure ex art. 8:81 Awb Pro.
Beslissing
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan verzoekster te
- vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van