Verzoeker kreeg een bestuurlijke boete van €3.000,- opgelegd wegens het niet tijdig verstrekken van loon- en urenbescheiden aan de Arbeidsinspectie, in strijd met artikel 18b, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wmm). Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om invordering van de boete op te schorten.
De voorzieningenrechter overwoog dat het bezwaar in principe geen schorsende werking heeft, maar dat bij punitieve sancties zoals bestuurlijke boetes een belangenafweging moet plaatsvinden. Daarbij weegt mee dat invordering onomkeerbare gevolgen kan hebben voor de onderneming van verzoeker. Verweerder had geen zwaarwegend belang gesteld om niet te wachten op de bezwaarprocedure.
Gezien de financiële situatie van verzoeker en het ontbreken van een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het besluit, vond de voorzieningenrechter dat het belang van verzoeker zwaarder woog dan dat van verweerder. Daarom werd het besluit geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.