De rechtbank Amsterdam behandelde op 16 maart 2017 een verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De verdachte wordt verdacht van diefstal door twee of meer verenigde personen, een strafbaar feit volgens zowel Duits als Nederlands recht.
Tijdens de zitting op 2 maart 2017 heeft de verdachte ontkend schuldig te zijn en aangevoerd dat hij slechts de auto op zijn naam had gehuurd voor een bekende. Tevens voerde hij aan dat overlevering niet evenredig zou zijn omdat hij al in Nederland vastzit en bereid is mee te werken aan het onderzoek. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zijn onschuld niet aannemelijk had gemaakt en dat het evenredigheidsverweer niet slaagt, aangezien vrijwillige medewerking geen bijzondere omstandigheid vormt die overlevering verhindert.
De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de verdachte correct is vastgesteld en dat de Nederlandse nationaliteit van de verdachte een garantie vereist dat bij veroordeling de straf in Nederland kan worden uitgezeten. Deze garantie werd door de Duitse autoriteiten gegeven en voldoet aan de wettelijke voorwaarden.
Gelet op de naleving van de wettelijke eisen en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.