Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
wrakingskamer
1.Gronden van de beslissing
dat getuige [ ] (p. 59) die bij verdachte in de auto zat, bij de politie heeft verklaard dat verdachte en hij de andere kant op moesten en bij het verkeerslicht een U-turn moesten maken en dat ze schuin over de rechterrijstrook naar de linkerrijstrook reden.(…)
“Het spijt mij, maar gelet op de wijze waarop de voorzitter het dossier aan mijn cliënt voorhoudt, rest mij niets dan te verzoeken de voorzitter te wraken. De voorzitter heeft opgemerkt dat de auto van cliënt haaks op de weg is aangetroffen terwijl dat niet het geval is geweest. Daar komt zijn interpretatie van de schade zoals die is te zien op de foto’s in het dossier bij, dat de motorrijder haaks op de auto van cliënt is ingereden en de omstandigheid dat hij uit de getuigenverklaringen alleen voorhoudt dat cliënt een U-turn maakte.”
De voorzitter merkt op dat hij slechts heeft voorgehouden wat in het dossier staat en dat hij niet heeft gezegd dat de auto haaks of dwars op de weg is aangetroffen. De raadsman merkt op dat het de verdediging erom te doen is dat het gaat om de manier waarop dat gebeurt en dat de voorzitter niet in debat zou moeten gaan en kennelijk geïrriteerd is. De raadsman vraagt de oudste en de jongste rechter hoe zij tegen de zaak aankijken zodat hij weet of hij slechts de voorzitter of de hele rechtbank moet wraken. De voorzitter deelt mee dat hij inderdaad geïrriteerd is en dat de raadsman de gronden van het wrakingsverzoek moet opgeven. De raadsman merkt op dat hij de reactie van de voorzitter niet gepast vindt. De voorzitter deelt mee dat de raadsman moet opschieten met het geven van de gronden. De raadsman merkt op dat de voorzitter buiten de orde is en wenst akte van het feit dat de voorzitter hem het woord ontneemt. De rechtbank onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting. De rechtbank hervat na enige tijd het onderzoek ter terechtzitting in de stand waarin het zich bevond voor de onderbreking. De voorzitter biedt zijn excuses aan voor de manier waarop hij zo-even heeft gereageerd en merkt op dat hij onaangenaam getroffen was door de wraking. De raadsman merkt op dat hij zojuist tegen zijn cliënt heeft gezegd dat een wraking niet persoonlijk is en dat het hem spijt dat de voorzitter in zijn bijzijn zo heeft gereageerd.”