ECLI:NL:RBAMS:2016:9240

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 oktober 2016
Publicatiedatum
18 januari 2017
Zaaknummer
16/3838
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 134 SvArt. 119 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking tot teruggave van in beslag genomen geld ondanks executoriale vordering

Klager diende een klaagschrift in op grond van artikel 552a Sv tegen het in beslag genomen bedrag van €8.877,00 dat bij een woningdoorzoeking in verband met een Opiumwet-overtreding was aangetroffen. De zaak tegen klager was geseponeerd, waardoor het Openbaar Ministerie zich niet verzette tegen opheffing van het beslag.

Hoewel DWI en CJIB een gezamenlijke executoriale vordering van €25.000,00 op klager hadden en het in beslag genomen geldbedrag daarmee zou worden verrekend, oordeelde de rechtbank dat dit geen reden was om de teruggave aan klager te weigeren. De rechtbank wees op de wettelijke bepalingen die voorschrijven dat bij gegrondverklaring van het klaagschrift de last tot teruggave aan de beslagene wordt gegeven, ongeacht eventuele verrekeningen met derden.

De rechtbank concludeerde dat het belang van strafvordering niet langer aan het beslag in de weg stond en dat de bewaarder het bedrag aan klager moest teruggeven, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald. De beschikking werd op 25 oktober 2016 in het openbaar uitgesproken door rechter V.V. Essenburg.

Uitkomst: Rechtbank beveelt teruggave van €8.877 aan klager ondanks executoriale vordering van DWI en CJIB.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

RK: 16/3838
BESCHIKKING
op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klager]
geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1963,
wonend op het adres [adres te plaats]
te dezen woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,
mr. H.G. Kersting, [adres advocaat] ,
klager.

1.Procesgang

Het klaagschrift is op 27 mei 2016 ontvangen ter griffie van deze rechtbank ontvangen en op 7 juni 2016 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank.
De rechtbank heeft op 25 oktober 2016 klager, zijn raadsman en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

2.Inhoud klaagschrift en het standpunt van klager

Het klaagschrift strekt tot teruggave van het onder klager in beslag genomen geldbedrag (€ 8.877,00).
De raadsman heeft in raadkamer aangevoerd dat de zaak tegen klager is geseponeerd en er geen enkele aanleiding is te veronderstellen dat het geld van misdrijf afkomstig is. De raadsman heeft verder te kennen gegeven het er niet mee eens te zijn dat het geld niet aan klager, maar aan het CJIB of DWI wordt gegeven.

3.Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het (schriftelijk) standpunt van het Openbaar Ministerie houdt het volgende in. Op
29 maart 2016 werd klager aangehouden ter zake van overtreding van de Opiumwet. Bij de doorzoeking van zijn woning werd € 8.877,00 aan contanten in beslag genomen. De zaak tegen klager is geëindigd in een sepot. Desalniettemin zal het geld niet worden geretourneerd aan klager. De DWI en het CJIB hebben namelijk gezamenlijk een vordering met executoriale titel van € 25.000,00 op klager. In overleg met het CJIB is het in beslag genomen geldbedrag verrekend met dit laatste geldbedrag.

4.Beoordeling

Op 29 maart 2016 is onder klager voornoemd geldbedrag in beslag genomen.
De rechtbank leidt uit dat het standpunt van de officier van justitie af dat het Openbaar Ministerie zich niet verzet tegen opheffing van het beslag aangezien het de zaak tegen klager heeft geseponeerd (maar dat het geld niet aan klager zal worden teruggegeven).
De rechtbank is van oordeel dat, nu de officier van justitie zich niet verzet tegen opheffing van het beslag, omdat het belang van strafvordering zich daar niet langer tegen verzet, het beklag gegrond dient te worden verklaard.
Voor zover de officier van justitie heeft willen betogen dat een last tot teruggave achterwege dient te blijven, omdat het geld is of zal worden verrekend met het bedrag dat klager nog aan het CJIB dient te betalen, overweegt de rechtbank, nadat zij heeft opgemerkt dat niet is gebleken dat het beslag reeds is geëindigd in de zin van artikel 134 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het volgende.
Artikel 552a, achtste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat als de rechtbank het beklag gegrond acht, zij de daarmee overeenkomende last geeft. Aan het geven van een last tot teruggave aan de beslagene staat niet in de weg dat aan de last niet kan worden voldaan, bijvoorbeeld omdat de zaak inmiddels aan een ander is afgegeven (Hoge Raad 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9413). De last tot teruggave aan de beslagene die de rechtbank geeft, is ingevolge artikel 119, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering tot de bewaarder gericht. Het vierde lid van artikel 119 van Pro het Wetboek van Strafvordering bevat een aanwijzing aan de bewaarder omtrent hetgeen hij moet doen in geval van een beslag als bedoeld in dit artikel op het terug te geven voorwerp is gelegd. De bewaarder zal het voorwerp niet terug geven zolang er een beslag op rust, door een derde gelegd ingevolge Boek II, titels 2, 3 en 4, en Boek III, titel 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij degene door wie de last tot teruggave is gegeven uitdrukkelijk anders bepaalt.

5.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
De rechtbank verklaart het beklag
gegronden gelast de teruggave van € 8.877,00 aan klager.
Deze beslissing is op 25 oktober 2016 gegeven en in het openbaar uitgesproken door
mr. V.V. Essenburg, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier.