De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 september 2016 de vordering tot overlevering van een Portugese staatsburger op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Centrale Instantie Strafzaken van Faro. De opgeëiste persoon werd verdacht van strafbare feiten en zat gedetineerd in een Nederlandse penitentiaire inrichting.
De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en bevestigde deze. Vervolgens werd de inhoud van het EAB besproken, waarin melding werd gemaakt van een voorarrestbeschikking uit Portugal. De rechtbank toetste tevens de detentieomstandigheden in Portugal aan de hand van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarbij zij zich baseerde op eerdere rapporten van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en de Portugese Ombudsman.
Gezien het reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in Portugese gevangenissen en het onduidelijkheid over de toekomstige detentieplaats van de opgeëiste persoon, besloot de rechtbank het onderzoek te heropenen en te schorsen. Zij verzocht de Portugese autoriteiten om aanvullende, feitelijke gegevens over de detentieomstandigheden, met name of de opgeëiste persoon in de penitentiaire inrichting in Lissabon zal worden gedetineerd en onder welke omstandigheden.
De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Amsterdam op 11 oktober 2016, waarbij het onderzoek werd geschorst totdat de gevraagde informatie is ontvangen. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.