ECLI:NL:RBAMS:2016:6325

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 september 2016
Publicatiedatum
10 oktober 2016
Zaaknummer
13.751.392-15, 16/2315
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 OverleveringswetArt. 22 OverleveringswetArt. 23 OverleveringswetArt. 187 SvArt. 208 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering Nederlander op grond van onherroepelijk arrest in België

De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden door het Hof van beroep Antwerpen, waarvan nog 355 dagen resteren. De rechtbank onderzocht de identiteit van de verdachte en bevestigde zijn Nederlandse nationaliteit.

De rechtbank stelde vast dat het veroordelende arrest van 12 februari 2015 onherroepelijk is, ondanks dat de verdachte in hoger beroep en verzet niet is verschenen en verstek is veroordeeld. Gezien de Nederlandse nationaliteit van de verdachte en artikel 6, tweede lid, van de Overleveringswet (OLW), dat de overlevering van een Nederlander verbiedt indien het vonnis onherroepelijk is, besloot de rechtbank de overlevering te weigeren.

Vanwege de ongunstige gezondheidstoestand van de verdachte zag de rechtbank af van onderzoek naar de vraag of weigering van overlevering tot straffeloosheid zou leiden. De rechtbank verlengde de uitspraaktermijn vanwege de complexiteit van de zaak en de omstandigheden. De uitspraak is definitief en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de Nederlandse verdachte aan België wegens een onherroepelijk arrest.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.392-15
RK nummer: 16/2315
Datum uitspraak: 13 september 2016
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 april 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 april 2015 door
het Hof van beroep Antwerpen(België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
niet ingeschreven in de Basisregistratie personen, maar verblijvend op het adres [adres] , [woonplaats] .

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 26 mei 2016 in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg. De opgeëiste persoon is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde de rechtbank in de gelegenheid te stellen een standpunt te bepalen over de detentieomstandigheden in België.
De behandeling is voortgezet op de openbare zitting van 13 september 2016. Met toestemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon heeft de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing op 26 mei 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam.
De rechtbank heeft op de zitting van 13 september 2016 de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, van de OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd en de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak zou moeten voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijnen uitspraak te doen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar arrest van het Hof van beroep Antwerpen van 12 februari 2015 (referentie: 2012/PGA/1544).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 40 maanden. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 355 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het AB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Artikel 6, tweede lid, van de OLW verbiedt de overlevering van een Nederlander, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf.
Uit het arrest van het Hof van beroep Antwerpen van 12 februari 2015, rolnummer 2014/VZ/19, blijkt het volgende:
- op 9 januari 2013 heeft de correctionele rechtbank te Turnhout de opgeëiste persoon op tegenspraak veroordeeld;
- de opgeëiste persoon heeft op 17 januari 2013 hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis;
- op 10 maart 2014 heeft het Hof van beroep Antwerpen de opgeëiste persoon in hoger beroep bij verstek veroordeeld;
- op 14 april 2014 heeft de opgeëiste persoon verzet aangetekend tegen het arrest van 10 maart 2014;
- op 15 januari 2015 heeft het Hof van beroep Antwerpen de zaak behandeld. De opgeëiste persoon, hoewel behoorlijk gedagvaard en opgeroepen, is niet in persoon of bij advocaat vertegenwoordigd verschenen;
- op 12 februari 2015 heeft het Hof van beroep Antwerpen het verzet van de opgeëiste persoon ontvangen en heeft het hem bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden.
Onderdeel d) van het EAB (met het opschrift ‘Het vonnis is bij verstek gewezen’) houdt onder meer het volgende in:
Juridische garanties:
Verzet nog mogelijk (verzetprocedure, zoals verwoord in artikel 187 en Pro 208 van het Wetboek van Strafvordering – aangevuld met de voorschriften van het KB nr; 236 van 0 januari 1936 indien betrokkene gedetineerd is cfr. Documenten in bijlage).
Het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 mei 2016 houdt onder meer het volgende in:
Instantie/zaaknr.: Centrale autoriteit, België 2014/VZ/19
Datum beslissing: 12 februari 2015, COUR D’APPEL – ANTWERPEN
(…)
Status: Onherroepelijk 09 april 2015.
De mededelingen in het uittreksel over het arrest zijn afkomstig van de centrale Belgische autoriteiten.
Gelet op de procesgang in België – in het bijzonder de omstandigheid dat de opgeëiste persoon in hoger beroep na verzet tegen het verstekarrest van 10 maart 2014 opnieuw verstek heeft laten gaan en hij bij arrest van 12 februari 2015 opnieuw bij verstek is veroordeeld – en op de mededelingen in het uittreksel uit de Justitiële Documentatie acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat het arrest van 12 februari 2015 onherroepelijk is.
De andersluidende mededeling in onderdeel d) van het EAB doet daaraan niet af. Anders dan daar is vermeld, zijn bij het EAB geen bijlagen over de verzetprocedure gevoegd. Bovendien is de formulering van onderdeel d) van het EAB niet in overeenstemming met het EAB model-formulier zoals dat is komen te luiden als gevolg van de inwerkingtreding van Kaderbesluit 2009/299/JBZ. Ook België heeft dit kaderbesluit inmiddels geïmplementeerd.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om de Belgische autoriteiten nog in de gelegenheid te stellen om zich uit te laten over de status van het arrest.
Op de overname van de tenuitvoerlegging door Nederland van de Belgische vrijheidsstraf is de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties van toepassing. In de ongunstige medische prognose van de opgeëiste persoon ziet de rechtbank aanleiding om af te zien van een onderzoek naar de vraag of weigering van de overlevering zal leiden tot straffeloosheid van de opgeëiste persoon (vgl. Rb. Amsterdam 2 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1236).

5.Slotsom

Omdat artikel 6, tweede lid, OLW aan de overlevering in de weg staat, zal de rechtbank de overlevering weigeren.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 6 van Pro de Overleveringswet.

7.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
het Hof van beroep Antwerpen(België) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de aan hem in België onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf.
Aldus gedaan door
mr. A.C. Enkelaar, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en A. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 13 september 2016.
De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat de uitspraak te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.