ECLI:NL:RBAMS:2016:6237
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring voor zelfstandig wonen ondanks medische beperkingen
Verzoeker, die sinds 1997 bij zijn broer woont en lijdt aan schizofrenie, ernstige visuele handicap en een hersenbloeding, vroeg in 2015 opnieuw een urgentieverklaring aan voor een woning op de begane grond. Verweerder weigerde dit op grond van medische adviezen van de GGD, die stelden dat verzoeker niet zelfstandig kan wonen vanwege zijn beperkingen en afhankelijkheid van anderen.
Verzoeker stelde dat zijn situatie was verslechterd en dat hij gevangen zat op de derde verdieping, maar de rechtbank oordeelde dat deze toegenomen beperkingen niet afdoen aan de eerdere afwijzing, omdat deze al was gebaseerd op het ontbreken van zelfstandigheid. De door verzoeker overgelegde informatie van zijn psychiater toonde niet aan dat hij zelfstandig kan wonen zonder familieondersteuning.
De rechtbank volgde de jurisprudentie dat bij gelijke besluiten zonder nieuwe feiten geen hernieuwde toetsing plaatsvindt. Ook het beroep op de hardheidsclausule en artikel 8 EVRM Pro werd verworpen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.