De gemeente Amsterdam had aan eiseres omgevingsvergunningen verleend om appartementen te gebruiken voor short stay, ondanks strijdigheid met het bestemmingsplan Westelijke Binnenstad. Na bezwaar van een derde-partij werden deze vergunningen herroepen en geweigerd, omdat het aantal wisselingen van gebruikers volgens de gemeente het maximum overschreed.
Tijdens de beroepsprocedure vroeg de gemeente aanvullende gegevens op over de verblijfsduur van gasten. Op basis van deze gegevens bleek het aantal gebruikers ruimschoots onder het maximale aantal te liggen, en werd bovendien vastgesteld dat verhuur vooral aan werknemers van bedrijven plaatsvond.
De rechtbank oordeelde dat de motivering van het bestreden besluit niet langer standhield en verklaarde het beroep gegrond. Het besluit werd vernietigd voor zover het de weigering van de vergunningen betreft. Omdat de gemeente nog een besluit moet nemen op het bezwaar van de derde-partij, kon de rechtbank geen finale geschilbeslechting geven. De gemeente werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen en het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden.