Eiseres diende een bezwaarschrift in tegen het primaire besluit van de Belastingdienst waarin het kindgebonden budget over 2011 op nihil werd vastgesteld en een bedrag van €711 werd teruggevorderd. Dit bezwaarschrift werd te laat ontvangen, waardoor de Belastingdienst het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. Eiseres stelde dat zij bezwaar maakte tegen een acceptgiro, maar de rechtbank bevestigde dat een acceptgiro geen besluit is en het bezwaar daarom tegen het primaire besluit moest worden gericht.
De rechtbank constateerde dat het bezwaarschrift buiten de wettelijke termijn was ingediend en dat eiseres niet kon aantonen wanneer het was verzonden. Hoewel de Belastingdienst niet had geïnformeerd naar de reden van de late indiening en ook geen contact had gezocht met eiseres, oordeelde de rechtbank dat er geen verschoonbare reden was voor de termijnoverschrijding. Het bezwaar bleef daarom niet-ontvankelijk.
Wel vond de rechtbank dat de Belastingdienst onzorgvuldig had gehandeld door de verwarrende acceptgiro en het gebrek aan communicatie, waardoor eiseres onnodig in beroep was gegaan. Daarom werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiseres.