Op 14 februari 2014 vond een schietincident plaats aan de Pretoriusstraat in Amsterdam waarbij verdachte werd beschuldigd van poging tot doodslag op [persoon 1], openlijk geweld tegen [persoon 1] en [persoon 2], en het bezit van pepperspray als wapen.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het opzet van verdachte ontbrak voor de poging tot doodslag, mede omdat [persoon 1] zelf een vuurwapen gebruikte en verdachte het pistool alleen greep om hergebruik te voorkomen. Het pistool ging per ongeluk af door handelen van [persoon 1]. Hierdoor werd verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag.
Verdachte werd wel bewezen verklaard openlijk geweld te hebben gepleegd met traangas en pepperspray te hebben voorhanden gehad. Echter, het beroep op noodweer werd geaccepteerd omdat verdachte zich verdedigde tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval met een vuurwapen. Het gebruik van pepperspray werd niet als disproportioneel gezien. Daarom werd verdachte ter zake van het geweld ontslagen van alle rechtsvervolging.
Voor het bezit van pepperspray als wapen van categorie II werd verdachte strafbaar verklaard, maar vanwege de noodweersituatie werd geen straf opgelegd. De vordering van de benadeelde partij werd afgewezen en het pepperspraybusje werd onttrokken aan het verkeer. Tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf werd afgewezen omdat verdachte deels werd vrijgesproken en geen straf kreeg opgelegd.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van de poging tot doodslag en verklaarde het wapenbezit strafbaar maar legde geen straf op, waarmee het vonnis een genuanceerde afweging maakt tussen strafbaarheid en noodweer.