Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
veroordeelde,
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde de ontnemingsvordering tegen veroordeelde, voortvloeiend uit een strafzaak waarin veroordeelde werd veroordeeld voor onder meer oplichting en witwassen. De officier van justitie vorderde betaling van een bedrag tot maximaal € 23.385.781,- als wederrechtelijk verkregen voordeel.
De kern van het geschil betrof de vraag of de in rechte toegewezen vorderingen van benadeelde derden, die in civiele procedures aan hen waren toegekend, in mindering moesten worden gebracht op het te ontnemen bedrag, ongeacht of deze vorderingen daadwerkelijk waren voldaan. De verdediging stelde dat deze vorderingen volledig in mindering moesten worden gebracht, waardoor het wederrechtelijk verkregen voordeel op nul zou komen te staan. Het Openbaar Ministerie betoogde dat alleen daadwerkelijk betaalde vorderingen in mindering mochten worden gebracht.
De rechtbank oordeelde dat vanwege het verbod op terugwerkende kracht ten nadele van veroordeelde en de toepasselijke overgangsregels het oude recht moet worden toegepast. Dit houdt in dat ook niet-betaalde, maar in rechte toegewezen vorderingen van benadeelde derden in mindering moeten worden gebracht. Gezien de omvang van deze vorderingen stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 0,- en wees de ontnemingsvordering af.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 29 december 2015.
Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen omdat de toegewezen civiele vorderingen het wederrechtelijk verkregen voordeel overschrijden.