De zaak betreft een verzoek tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Regional Court in Poznań, Polen, voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van bijna twaalf maanden. De opgeëiste persoon, van Poolse nationaliteit en woonachtig in Nederland, betwist het opzet en de kwalificatie van de aangetroffen stof amfetaminesulfaat.
Tijdens de procedure heeft de verdediging onder meer aangevoerd dat niet duidelijk is of de stof op lijst I of II van de Opiumwet staat, wat van belang is voor de beslissing op het overleveringsverzoek. Tevens is een beroep gedaan op de weigeringsgrond van artikel 6, vijfde lid, OLW, waarbij de rechtbank oordeelde dat de stukken onvoldoende waren om een rechtmatig, onafgebroken verblijf van vijf jaar in Nederland aan te tonen.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten over de stof en het opzet. Vervolgens heeft de officier van justitie aangevoerd dat overname van de tenuitvoerlegging van de straf niet mogelijk is, hetgeen het onderzoek onvolledig maakt.
Daarom heeft de rechtbank het onderzoek heropend en opnieuw geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie toe te laten een nadere toelichting te geven op de beletselen voor overname. Tevens overweegt de rechtbank prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie te stellen. De zaak wordt hervat op een nader te bepalen zitting, waarbij ook de opgeëiste persoon en zijn raadsman worden opgeroepen met een tolk in de Poolse taal.