ECLI:NL:RBAMS:2014:8405

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 december 2014
Publicatiedatum
12 december 2014
Zaaknummer
-13-751882-14 RK 14-6972_
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 29 OLWArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor tenuitvoerlegging vrijheidsstraffen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 28 november 2014 de vordering tot overlevering van een Poolse opgeëiste persoon, gebaseerd op een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Circuit Court in Gliwice, Polen. De overlevering werd verzocht voor de tenuitvoerlegging van twee voorwaardelijke vrijheidsstraffen, respectievelijk twee jaar en negen maanden, waarvan de tenuitvoerlegging was bevolen wegens het niet voldoen aan proeftijdvoorwaarden.

De verdediging voerde aan dat het EAB onvoldoende duidelijkheid bood over de reden van tenuitvoerlegging en dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was gesteld van deze beslissingen. De rechtbank oordeelde dat de reden van tenuitvoerlegging niet in het EAB hoeft te worden vermeld en dat kennisneming door de opgeëiste persoon niet vereist is. Tevens werd vastgesteld dat het EAB voldoet aan de vereisten van artikel 2 OLW Pro, met een voldoende omschrijving van de feiten.

De rechtbank onderzocht de dubbele strafbaarheid van de feiten en concludeerde dat deze aanwezig is. Het eerste feit betreft fraude, opgenomen in bijlage 1 bij de OLW, waarvoor geen toetsing van dubbele strafbaarheid vereist is. Het tweede feit betreft poging tot diefstal met geweld, waarvoor dubbele strafbaarheid is vastgesteld. Gezien het ontbreken van weigeringsgronden werd de overlevering toegestaan.

De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Amsterdam op 12 december 2014, waarbij de opgeëiste persoon wordt overgeleverd aan de Poolse autoriteiten voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751882-14
RK nummer: 14/6972
Datum uitspraak: 12 december 2014
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 oktober 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 november 2013 door the Circuit Court in Gliwice, 5th Penal Division in Rybnik, Polen, en het strekt tot de aanhouding en overlevering van de opgeëiste persoon:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats], Polen, op [geboortedatum],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [etentie adres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 november 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. A. Oswald.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. S. Urcun, advocaat te Rotterdam en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van twee vonnissen, gewezen door the District Court in Rybnik, respectievelijk van 28 februari 2006 en van 9 december 2008.
Dossiernummers III K 584/05 en III K 366/08
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen voor de duur van respectievelijk twee jaren en van negen maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
Het vonnis met het kenmerk
III K 584/05van the District Court of Rybnik van 28 februari 2006 betrof een voorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar met een proeftijd van vier jaren. Op 19 oktober 2009 heeft hetzelfde gerecht de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf bevolen.
Het vonnis met het kenmerk
K 366/08van the District Court of Rybnik van 9 december 2008 betrof eveneens een voorwaardelijke vrijheidsstraf, dit keer voor de duur van negen maanden met een proeftijd van vijf jaren. Op 9 mei 2011 heeft hetzelfde gerecht de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf bevolen.
De raadsman heeft aangevoerd dat uit het EAB niet de reden van de tenuitvoerleggingen blijkt en heeft gesuggereerd dat een en ander berust op een ‘kennelijke misslag’, aangezien de opgeëiste persoon tot voor kort onbekend was met de beslissingen tot tenuitvoerlegging.
Hetgeen de raadsman op dit punt naar voren heeft gebracht levert geen weigeringsgrond op en vindt ook geen steun in het EAB en de bijbehorende stukken.
De reden waarom de tenuitvoerlegging van een aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf is bevolen behoeft niet in het EAB te worden vermeld. Evenmin is vereist dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de beslissing tot tenuitvoerlegging.
Daarnaast overweegt de rechtbank nog het volgende.
De opgeëiste persoon heeft in zijn verhoor door de officier van justitie op 21 oktober 2014 verklaard dat hij – in Polen – een oproep had gekregen om zich in de gevangenis te melden en dat hij van zijn reclasseringsambtenaar had gehoord dat hij niet aan de (bij de proeftijd gestelde) voorwaarden had voldaan. Voor de opgeëiste persoon was deze omstandigheid aanleiding om Polen te verlaten en naar Nederland te gaan.
3.2
Genoegzaamheid
De raadsman heeft betoogd dat de feiten in het EAB te summier omschreven staan.
De rechtbank vat dit op als een verweer in het kader van artikel 2, tweede lid, onder e, OLW. Mocht het verweer slagen, dan kan het leiden tot weigering van de verzochte overlevering.
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
In de onderhavige zaak geldt dat bij de omschrijving van de feiten waarop de overlevering betrekking heeft, voldaan is aan de vereisten van artikel 2, tweede lid, onder e, OLW. De weigeringsgrond is niet aan de orde.

4.Strafbaarheid

4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
III K 366/08:
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 8, te weten:
fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1993 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
III K 584/05
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, lid 1, onder a, 2e OLW gestelde eisen.
De rechtbank stelt vast dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar is en dat op dit feit in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

5.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45 en 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 Overleveringswet.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan the Circuit Court in Gliwice, 5th Penal Division in Rybnik, Polen, ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. S.J. Riem en M.J. Alink, rechters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 12 december 2014.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, lid 2 OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.