Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Gronden van de beslissing
2.De beoordeling
3.De beslissing
€ 97,50(exclusief BTW)
Rechtbank Amsterdam
In deze zaak heeft een zelfstandig ondernemer bezwaar gemaakt tegen de door de griffier toegekende vergoeding van € 25,09 voor het afleggen van een getuigenverklaring in een strafzaak. De ondernemer stelde dat hij een uurtarief van € 32,50 hanteert en door het getuigenverhoor vier uur niet kon werken, waardoor hij inkomsten heeft gederfd. Tevens maakte hij kosten voor eigen vervoer die hoger waren dan de toegekende reiskostenvergoeding.
De griffier had de vergoeding berekend op basis van het standaardtarief van € 6,81 per uur en reiskosten op basis van openbaar vervoer. De voorzieningenrechter overwoog dat de Wet Tarieven in Strafzaken enerzijds het financieel nadeel van getuigen moet compenseren, maar anderzijds niet mag leiden tot een financieel voordeel. Omdat de wet geen specifieke regeling bevat voor zelfstandig ondernemers, moest in de geest van de wet worden beslist.
De rechtbank achtte aannemelijk dat de getuige als zelfstandig ondernemer inkomsten heeft gederfd en ging uit van een redelijke uurvergoeding van € 32,50. De door de getuige opgegeven vier uur tijdverzuim werd niet volledig erkend; drie uur werd aannemelijk geacht. De hogere reiskosten werden niet nader toegelicht en daarom werd de vergoeding op basis van openbaar vervoer gehandhaafd. De totale vergoeding werd vastgesteld op € 102,16.
De rechtbank kende de hogere vergoeding toe en verklaarde het bezwaarschrift gegrond.
Uitkomst: Het bezwaarschrift van de zelfstandig ondernemer tegen de vergoeding voor het afleggen van een getuigenverklaring is gegrond verklaard en de vergoeding verhoogd naar € 102,16.