De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 juli 2014 een vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Onderzoeksrechter te Turnhout. Het EAB betrof strafbare feiten waaronder georganiseerde diefstal en vereniging van misdadigers. De identiteit van de opgeëiste persoon werd bevestigd en de strafbare feiten vielen onder de bijlage 1 van de Overleveringswet (OLW), waardoor toetsing van dubbele strafbaarheid achterwege bleef voor georganiseerde diefstal.
De verdediging voerde aan dat de termijn van 60 dagen voor uitspraak was overschreden en dat er geen vertaling van de relevante onderdelen van het EAB was verstrekt, wat volgens hen tot weigering van overlevering moest leiden. De rechtbank oordeelde dat termijnoverschrijding niet tot weigering leidt en dat het niet verstrekken van een vertaling op zichzelf ook geen weigering rechtvaardigt. Tijdens de zitting zijn de relevante onderdelen van het EAB in het Pools vertaald, waarna de opgeëiste persoon verklaarde deze te begrijpen.
De rechtbank stelde vast dat aan de voorwaarden voor overlevering was voldaan, inclusief de dubbele strafbaarheid voor het feit vereniging van misdadigers. Tevens werd overwogen dat de overlevering aan België mocht plaatsvinden voordat een ander EAB van Polen werd uitgevoerd, gelet op belangen van rechtsbedeling en het samen voorkomen van medeverdachten. De rechtbank besloot de overlevering toe te staan en wees op het ontbreken van een rechtsmiddel tegen deze uitspraak.