De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 juli 2014 een vordering tot overlevering van een persoon aan België op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de onderzoeksrechter te Veurne. De opgeëiste persoon werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie, illegale handel in verdovende middelen en gewapende diefstal. De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct was en dat de strafbare feiten onder de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet vielen, waardoor toetsing van dubbele strafbaarheid achterwege kon blijven.
De verdediging voerde aan dat de feitomschrijving onvoldoende duidelijk was en dat het handelen niet onder de strafbare feiten viel, met name het onderscheid tussen telen en handelen in hennep. Ook werd een onschuldverweer gevoerd met bewijs dat de opgeëiste persoon op de dag van de gewapende diefstal elders was. De rechtbank verwierp deze verweren omdat de bewijswaardering exclusief aan de Belgische rechter toekomt en het EAB een voldoende omschrijving van de feiten bevatte.
Verder werd een beroep gedaan op de proportionaliteit van het EAB, waarbij werd aangevoerd dat de overlevering onevenredig zware gevolgen zou hebben voor de opgeëiste persoon en zijn gezin. De rechtbank verwierp dit verweer onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie en het stelsel van het Kaderbesluit, en oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond die weigering van overlevering rechtvaardigen.
De rechtbank nam kennis van de garantie van de Belgische autoriteiten dat, indien de opgeëiste persoon tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze in Nederland mag ondergaan. Gelet op de ernst van de feiten en het voldoen aan de wettelijke voorwaarden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.