AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door Zweedse justitiële autoriteit
De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 juli 2014 de vordering tot overlevering van een persoon aan Zweden op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Zweedse National Police Board (Rikspolisstyrelsen). De opgeëiste persoon werd verdacht van onder meer verkrachting en diefstal, feiten die zowel in Zweden als in Nederland strafbaar zijn.
De verdediging voerde aan dat de uitvaardigende autoriteit niet als rechterlijke autoriteit kan worden beschouwd, waardoor het EAB niet rechtsgeldig zou zijn. De rechtbank verwierp dit verweer, stellende dat de Rikspolisstyrelsen formeel en materieel bevoegd is het EAB uit te vaardigen en dat het bevel gebaseerd is op een rechterlijke beslissing van de Örebro District Court.
De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat er geen gegronde redenen zijn om de juistheid van de uitvaardiging te betwijfelen. Ook het subsidiaire verzoek tot aanhouding van de behandeling en het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen werden afgewezen.
Gelet op de geldigheid van het EAB en het ontbreken van weigeringsgronden, stond de rechtbank de overlevering toe voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf op het grondgebied van Zweden. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Zweden toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751380-14
RK nummer: 14/3012
Datum uitspraak: 25 juli 2014
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 vanPro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 2 mei 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 april 2014 door de Rikspolisstyrelsen(Zweden) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië) op [geboortedatum],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “[locatie]” te [plaats];
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1.Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 juli 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mrM. Al Mansouri . De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Engelse taal.
Op verzoek van de raadsman heeft de rechtbank het onderzoek voor bepaalde tijd tot 15 juli 2014 geschorst. Tevens heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, van de OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.
De vordering is in plaats van op 15 juli 2014 vervolgens behandeld op de openbare zitting van 11 juli 2014 omdat op 15 juli 2014 geen Zweedse tolk beschikbaar was. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Al Mansouri. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Zweedse taal.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Zweedse nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een sentence handed down by Örebro District Court on 4 February 2013, reference: B 4777-12.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de sanctie van forensic mental care with special assessment for discharge,door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4.Strafbaarheid
4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft omschreven als rapewaarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 27, te weten:
Verkrachting.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit naar het recht van Zweden een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
4.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e van de OLW gestelde eisen.
De rechtbank stelt vast dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Zweden als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op deze feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft
verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.
5. Verweer met betrekking tot de bevoegde justitiële autoriteit in Zweden
De raadsman heeft onder verwijzing naar de preambule en de artikelen 1, 6, 7 en 8 van het Kaderbesluit EAB 2002/584/EG – samengevat weergegeven - betoogd dat de door Zweden aangewezen “rechterlijke” autoriteit, in casu Rikspolissttyrelsen(Swedisch National Police Board) niet kan worden beschouwd als een rechterlijke autoriteit in de zin van artikel 6 vanPro het Kaderbesluit. In het kader hiervan heeft de raadsman in zijn overgelegde pleitnota gewezen op de uitspraken van het Supreme Court UKvan 20 november 2013 inzake [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3]. Uit deze uitspraken blijkt volgens de raadsman dat de term judicial authorityeen autonome betekenis heeft, zodat nationale overheden daaraan geen eigen inhoud mogen geven. Verder is geoordeeld dat als een Ministerie van Justitie optreedt op verzoek van gevangenisautoriteiten omdat een gedetineerde is ontsnapt of niet van verlof is teruggekeerd, en er dus geen enkele rechterlijke autoriteit betrokken is geweest bij de totstandkoming van het EAB, het Ministerie van Justitie dan niet kan worden beschouwd als een rechterlijke autoriteit (zaak [persoon 2]/Litouwen, r.o. 53-54). Het EAB is dan niet rechtsgeldig uitgevaardigd en de overlevering dient geweigerd te worden.
De onderhavige zaak lijkt op de zaak [persoon 2], aldus de raadsman. Onder punt f van het EAB staat immers vermeld dat de opgeëiste persoon op 21 april 2014 zou zijn weggelopen uit de inrichting waar hij zat. Uit niets blijkt dat de functionaris van de Nationale Politie in opdracht van, op verzoek van of in samenwerking met enig rechterlijk autoriteit heeft gehandeld bij het reeds vier dagen later, te weten op 25 april 2014, uitvaardigen van het EAB. De conclusie moet dan ook zijn dat de uitvaardigende justitiële autoriteit in redelijkheid niet kan worden beschouwd als rechterlijke autoriteit in de zin van het Kaderbesluit en dat de overlevering op grond hiervan dient te worden geweigerd.
Omdat mogelijk nog niet alle feiten bekend zijn over de wijze van totstandkoming van het EAB en wellicht niet geheel kan worden uitgesloten dat daarbij toch een rechterlijke autoriteit in voldoende mate betrokken is geweest, verzoekt de raadsman subsidiair dat de rechtbank nadere vragen hieromtrent bij de Zweedse autoriteiten gaat stellen.
Indien de rechtbank de raadsman niet in zijn verweer volgt, is volgens hem geen sprake van een acte éclairéof acte claire. De rechtbank dient dan op grond van artikel 267 vanPro het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
De officier van justitie heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het EAB is uitgevaardigd door een bevoegde autoriteit.
De rechtbank overweegt als volgt.
Anders dan door de raadsman gesteld kan niet in geschil zijn dat de Rikspolisstyrelsen(Swedisch National Police Board) door de Zweedse autoriteiten de bevoegde aangewezen autoriteit is bij het uitvaardigen van een EAB.
De rechtbank verwijst hiertoe naar de officiële website van de Zweedse regering (zie http://www.government.se/sb/d/2710/a/15457 waarin is vermeld:
A Swedish arrest warrant for the purpose of execution of a custodial sentence or detention order is issued by the National Police Board at the request of the National Prison and Probation Administration, the National Board of Health and Welfare or the National Board of Institutional Care.
In een memorandum van de Zweedse afgevaardigde bij de Europese Unie van 29 mei 2009 (10401/09 COPEN 102, EJN 32, EUROJUST 34, COVER NOTE) is onder 3. Procedure where Sweden is the issuing Statehet volgende vermeld:
For information on the procedure where Sweden is the issuing State, please contact the Office of the Prosecutor-General, the National Police Board, the Ministry of Justice or a European Judicial Network contact point.
De contactgegevens van de National Police Boardzijn:
National Police Board
International Police Cooperation Division
Box 12256
102 26 STOCKHOLM
Tel: +46-8-401 37 00
Fax: +46-8-401 48 99
e-mail: ipo.rkp@polisen.se
Uit onderdeel i) blijkt dat het EAB is uitgevaardigd door de Deputy Head of the International Police Cooperation Divisionbij de Swedisch National Police Board.De vermelde contactgegevens komen overeen met de contactgegevens zoals vermeld in het memorandum.
Voorts dient in het EAB onder b) het besluit dat aan het aanhoudingsbevel ten grondslag ligt te worden vermeld. Daaruit blijkt dat het in de onderhavige zaak gaat om een vonnis van het Örebro District Courtvan 4 februari 2013. Aan het EAB ligt derhalve een rechterlijke beslissing ten grondslag.
Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dient in beginsel op de juistheid van deze gegevens te worden vertrouwd. De rechtbank is van oordeel dat er geen redenen zijn – ook niet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd – om de juistheid hiervan in twijfel te trekken. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat de uitvaardigende justitiële autoriteit zowel formeel als materieel de bevoegde autoriteit is om het EAB uit te vaardigen.
De rechtbank wijst het subsidiaire verzoek tot aanhouding van de behandeling van de vordering eveneens af nu er geen twijfel bestaat ten aanzien van de bevoegdheid van de uitvaardigende autoriteit. Op dezelfde voet acht de rechtbank zich niet gehouden om prejudiciële vragen te stellen.
Het verweer wordt derhalve verworpen.
8.Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 vanPro de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
9.Toepasselijke wetsbepalingen
Het artikel 312 vanPro het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, en 7 van de OLW.
10.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon]aan de Rikspolisstyrelsen(Zweden) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. S.A. Krenning, voorzitter,
mrs. A.C. Enkelaar en P. Rodenburg, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 25 juli 2014.
De voorzitter is buiten staat te tekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.