ECLI:NL:RBAMS:2013:CA0459
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit overtreding gedoogvoorwaarden softdrugs
De rechtbank Amsterdam behandelde op 21 maart 2013 een ontnemingsvordering tegen veroordeelde, voortvloeiend uit een eerdere strafzaak waarin veroordeelde was veroordeeld voor het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid softdrugs op 17 februari 2010. De ontnemingsvordering betrof het vaststellen en ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de jaren 2005 tot en met 2009, waarin sprake was van structurele overschrijding van de gedoogvoorwaarden.
Verschillende verweren van veroordeelde werden besproken, waaronder schending van Salduz-rechten, onrechtmatigheid van bewijs, en toepassing van de Geerings-jurisprudentie. De rechtbank verwierp deze verweren, onder meer omdat de verklaring van 18 februari 2010 niet was ondertekend en de ontnemingsvordering zich richtte op feiten buiten de periode van de eerdere vrijspraak. Tevens werd bevestigd dat geen rechterlijke machtiging nodig was voor bepaalde gegevensvorderingen.
De rechtbank concludeerde dat de voorraad softdrugs aanzienlijk en structureel de gedoogvoorraad overschreed, waarbij geen deugdelijke administratie werd bijgehouden. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd gebaseerd op belastingrapportages en financiële analyses, waarbij opbrengsten en kosten van de softdrugsverkoop werden tegen elkaar afgezet. De opbrengsten uit legale horeca werden buiten beschouwing gelaten.
De rechtbank schatte het wederrechtelijk verkregen voordeel voor veroordeelde op €615.374,18 en legde hem de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. De vordering tot hoofdelijkheid werd afgewezen omdat de wettelijke grondslag daarvoor nog niet van kracht was ten tijde van de feiten. De rente over in beslag genomen gelden werd niet toegewezen omdat deze gelden als goed huisvader worden bewaard.
Uitkomst: De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van €615.374,18 wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit overschrijding gedoogvoorwaarden softdrugs.