ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ8980

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
13-664153-12
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezit van kinderpornografie en overschrijding van de redelijke termijn

In deze strafzaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 29 april 2013 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het bezit van kinderpornografisch materiaal. Het onderzoek ter terechtzitting vond plaats op 16 april 2013, waar de officier van justitie, mr. K.M. Römer, zijn vordering heeft gepresenteerd. De verdediging, vertegenwoordigd door mr. K.K. Hansen Löve, voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege overschrijding van de redelijke termijn en het geringe aantal kinderpornografische afbeeldingen. De rechtbank verwierp dit verweer, verwijzend naar de jurisprudentie van de Hoge Raad, die stelt dat overschrijding van de redelijke termijn niet automatisch leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De tenlastelegging betrof het bezit van een groot aantal afbeeldingen en films met seksuele gedragingen van minderjarigen. De rechtbank oordeelde dat de dagvaarding voldoende feitelijk was en dat de verdachte voldoende op de hoogte was van de beschuldigingen. De rechtbank beoordeelde het bewijs en concludeerde dat de verdachte niet kon worden vrijgesproken van het bezit van twee specifieke films, omdat er voldoende bewijs was dat hij deze bewust had vastgelegd en bekeken. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan het bezit van kinderpornografisch materiaal, maar dat er sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn in de behandeling van de zaak.

De rechtbank besloot uiteindelijk tot een lagere straf dan geëist door de officier van justitie, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 20 uren, met een voorwaardelijke straf van 10 dagen hechtenis indien hij de taakstraf niet naar behoren zou verrichten. De uitspraak benadrukt de ernst van het bezit van kinderpornografisch materiaal en de verantwoordelijkheid van de verdachte in het in stand houden van de vraag naar dergelijk materiaal.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
VONNIS
Parketnummer: 13/664153-12 (Promis)
Datum uitspraak: 29 april 2013
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [plaats] op [1972],
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [postcode plaats].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 april 2013.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K.M. Römer en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K.K. Hansen Löve, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 juli 2006 tot en met 10 oktober 2007 te [plaats], in elk geval in Nederland, één of meermalen (telkens) een (groot aantal) afbeelding(en), te weten (22) foto('s) en/of (12) film(s) en/of (een) gegevensdrager(s) bevattende (een) afbeelding(en) (te weten één of meer computer(s))
heeft ingevoerd
en/of
in bezit heeft gehad,
terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar is/zijn, waarbij (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:
het vaginaal en/of anaal penetreren (met de penis en/of (een) voorwerp(en) (te weten onder meer een pen en/of een viltstift)) door zichzelf en/of door een volwassen man van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (onder meer [bestand] en/of [bestand] en/of [bestand])
en/of
het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij deze perso(o)n(en) gekleed is/zijn en/of opgemaakt is/zijn en/of poseert/poseren in een omgeving en/of met (een) voorwerp(en) (eventueel aanvullen met soort voorwerp) en/of in (een)(erotisch getinte) houding(en) (op een wijze) die niet bij haar/hun leeftijd past/passen en/of waarbij deze perso(o)n(en) zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van haar/hun kleding ontdoet/ontdoen en/of (waarna) door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze perso(o)n(en) en/of de uitsnede van de afbeelding(en)/film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of borsten en/of billen in beeld gebracht worden
(waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling (onder meer [bestand]),
van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt.
3. Voorvragen
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging wegens overschrijding van de redelijke termijn en het zeer geringe aantal kinderpornografische afbeeldingen/films. Sinds de eerste daad van vervolging, te weten de dag van doorzoeking van de woning van verdachte op 10 oktober 2007, zijn tot op heden 5 jaren en 6 maanden verstreken. Er is niets wat een overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigt. Daarnaast lijkt het er sterk op dat verdachte de dupe is van het aangescherpte vervolgingsbeleid dat sinds de grote Amsterdamse zedenzaak heerst. Op grond hiervan verzoek ik het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.
De rechtbank is van oordeel dat het niet-ontvankelijkheidsverweer van de raadsvrouw moet worden verworpen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie LJN BD2578) leidt overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat strafvermindering wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Er zijn onvoldoende overige gronden aangevoerd dan wel gebleken voor het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie.
Geldigheid van de dagvaarding
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard. De dagvaarding ziet toe op 22 foto’s en 12 films. Dat zijn 34 items in totaal. Uit het proces-verbaal op pagina 132 blijkt dat er sprake is van 15 foto’s en 9 filmpjes. Dat zijn 24 items in totaal. Het is de verdediging volstrekt onduidelijk tegen welke andere 10 items verdachte zich zou moeten verdedigen. Dat deel van de dagvaarding dient dan ook nietig te worden verklaard.
De rechtbank overweegt als volgt. Een tenlastelegging is voldoende feitelijk, indien de rechter op basis van de tenlastelegging weet wat hij moet onderzoeken en verdachte voldoende duidelijk is waarvan hij wordt beschuldigd. De beschuldiging moet in voldoende precieze termen worden geformuleerd opdat verdachte daaruit kan begrijpen waarvoor hij zich moet verantwoorden, en opdat hij zich op een adequate wijze tegen de aanklacht kan verdedigen. Ondanks dat de in de tenlastelegging genoemde aantallen niet rechtstreeks zijn te herleiden tot de in het bedoelde proces-verbaal vermelde aantallen, kan de tenlastelegging fungeren als grondslag voor een terechtzitting. Verdachte heeft er tijdens het onderzoek ter terechtzitting voldoende blijk van gegeven dat hij wist tegen welke verweten gedragingen hij zich diende te verdedigen, te weten het in bezit hebben van kinderpornografisch materiaal. De dagvaarding voldoet aan de eisen zoals opgenomen in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en het beroep op partiële nietigheid wordt hiermee verworpen.
Overige voorvragen
Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het opzettelijke bezitten van de filmpjes [bestand] en [bestand] kan worden bewezen. Zij heeft hiertoe – kort samengevat- aangevoerd dat ten aanzien van deze filmpjes de getuige-deskundige ter terechtzitting heeft verklaard dat deze zijn geplaatst in een map die de gebruiker zelf moet aanmaken. De map waarin de filmpjes zijn aangetroffen was geplaatst op het bureaublad van de computer van verdachte en was dus gemakkelijk te zien. De bestanden zijn nadat zij zijn aangemaakt ook nog bekeken. Uit het overzicht van de getuige-deskundige blijkt dat verdachte de filmpjes ruim anderhalve maand in bezit heeft gehad. Op dat moment woonde de ex-vrouw van verdachte niet meer in de woning. De beschrijving van de beelden door getuige-deskundige komt overeen met de tenlastelegging na de woorden ‘en/of’. De seksuele gedragingen poseren, uitkleden en het laten zien van billen en borsten kunnen worden bewezen. Van de overige in de tenlastelegging opgenomen foto’s en films en de bijbehorende seksuele gedragingen moet verdachte partieel worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld wanneer en hoelang deze afbeeldingen in het bezit van verdachte zijn geweest.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde wegens het ontbreken van bewijs. Op grond van het onderzoek kan niet worden bewezen dat verdachte zich bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van de bestanden en al helemaal niet dat hij er de beschikkingsmacht over had. Er is ook geen bewijs dat verdachte opzettelijk handelingen heeft verricht die getuigen van het hebben willen bewaren van de films.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat voor bezit als bedoeld in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht (voorwaardelijk) opzet is vereist, dat tot uitdrukking komt in een zekere (beschikkings)macht. Voor digitale gegevens is daartoe een element van bewuste vastlegging van het materiaal vereist. Het enkele bekijken van digitale kinderpornografie levert in zijn algemeenheid nog geen strafrechtelijk verwijtbaar “bezit” op.
Partiële vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte de foto’s en een deel van de aangetroffen films in bezit heeft gehad als in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht bedoeld, nu ten aanzien van deze bestanden niet kan worden vastgesteld dat verdachte hier op enig moment de beschikkingsmacht over heeft gehad. Verdachte moet daarom ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Gedeelte bewezen
Voor het overige acht de rechtbank het ten laste gelegde bewezen, zoals hierna vermeld onder de bewezenverklaring. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Ten aanzien van de twee films – genaamd [bestand] en [bestand] – die in een map onder “[map]” zijn aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat in deze gevallen sprake is van bezit. Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij zich niet bezighield met kinderpornografische films en zich ook niets van deze films kan herinneren, kan uit de vindplaats op de harde schijf worden afgeleid dat hier een bewuste vastlegging door verdachte aan is voorafgegaan. Bovendien weegt de rechtbank mee dat de kinderpornografische filmpjes nog zijn bekeken nadat zij zijn gedownload, waaruit blijkt dat verdachte wel degelijk wist dat deze filmpjes zich op zijn computer bevonden. De verklaring van verdachte dat iemand anders de bestanden mogelijk heeft gedownload en op zijn computer heeft opgeslagen, vindt geen steun in de stukken. De verklaring van verdachte dat de bestanden mogelijk door toedoen van de toenmalige partner van zijn ex-vrouw op de computer terecht zijn gekomen, wordt als zeer onaannemelijk gepasseerd, nu uit de verklaringen van verdachte volgt dat de ex-vrouw van verdachte geen beschikking meer had over de sleutel van de woning op het moment waarop de beelden zijn aangemaakt en bekeken.
5. Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat:
1. Een proces-verbaal met nummer 07-046937 van 27 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [A] en [B] (doorgenummerde pag. 132-147).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:
In het onderzoek contra [verdachte] is op 10 oktober 2007 op het adres [adres] te [plaats] binnengetreden en werden goederen in beslag genomen. De goederen in onderstaande tabel zijn onderzocht en daarop is kinderpornografisch materiaal aangetroffen:
Soort goed: reg.nummer digi
Desktop Acer [nummer]
Desktop PC [nummer]
Opmerking:
Over de kinderpornografische afbeeldingen merk ik, verbalisant [A], het volgende op:
- De in de films voorkomende minderjarigen betreffen allemaal meisjes. De meisjes zitten kennelijk achter de webcam.
Bijlage IIIa: overzicht van hoeveelheden aangetroffen films per gegevensdrager
Media overview: Films
Verdachte: [verdachte]
Medium Accessibility Kinderporno
[nummer] Accessible 1
[nummer] Accessible 2
2. Een geschrift, genaamd Cam-downloads, opgemaakt door [C], werkzaam als digitaal rechercheur bij politie Midden-Nederland (ongenummerd).
Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:
07-1264-7 en 8\07-1264-8 hdd 1\C\Documents and settings\Administrator\BureaubladDownloads\[bestand]
Name [bestand]
File Ext [type]
File Category Multimedia\Video
Last Accessed 24/06/07
File Created 06/05/07
07-1264-7 en 8\07-1264-8 hdd 1\C\Documents and settings\Administrator\BureaubladDownloads\[bestand]
Name [bestand]
File Ext [type]
File Category Multimedia/Video
Last Accessed 26/06/07
File Created 04/05/07
3. De verklaring van getuige-deskundige [C], werkzaam als digitaal rechercheur bij politie Midden-Nederland, afgelegd ter terechtzitting op 16 april 2013.
Op de video met naam [bestand] is het volgende te zien: een meisje gekleed voor de webcam, zij gaat staan, trekt haar blouse omhoog en laat haar bh zien. Vervolgens doet zij haar bh omhoog.
Op de video met naam [bestand] is het volgende te zien: een meisje met een blauwe trui die haar ontblote middel laat zien. Zij laat vervolgens haar broek gedeeltelijk zakken en laat haar billen zien. De zijkant van haar blote billen wordt getoond. Zij laat vervolgens weer haar zij zien en doet haar broek verder naar beneden. Het meisje staat wat te poseren. Dan doet zij haar trui en vest omhoog en laat haar navel en blote borsten zien.
Het meisje in een van de filmpjes is erg opgemaakt, het meisje in het andere filmpje niet.
6. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 5. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
in de periode van 4 mei 2007 tot en met 10 oktober 2007 te [plaats], gegevensdragers te weten computers bevattende afbeeldingen, te weten 2 films in bezit heeft gehad, terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:
het gedeeltelijk naakt laten poseren van (een) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt, waarbij deze perso(o)n(en) poseren in erotisch getinte houdingen op een wijze die niet bij haar/hun leeftijd past en waarbij deze perso(o)n(en) zich vervolgens in opeenvolgende filmfragmenten van haar/hun kleding ontdoet/ontdoen en waarna door het camerastandpunt en de onnatuurlijke pose nadrukkelijk de ontblote borsten en billen in beeld gebracht worden waarbij de afbeelding aldus een onmiskenbaar seksuele strekking heeft.
7. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
8. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
9. Motivering van de straffen en maatregelen
9.1. De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren geheel voorwaardelijk, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen.
9.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde en heeft daarom geen strafmaatverweer gevoerd.
9.3 Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft kinderpornografisch materiaal in zijn bezit gehad. Op de aangetroffen video’s waren seksueel poserende jonge meisjes zichtbaar. Door deze beelden in zijn bezit te hebben, heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de vraag naar kinderpornografisch materiaal en is hij indirect medeverantwoordelijk voor het misbruik van deze kinderen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig feit, waarvoor op grond van de zogenoemde oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren van de hoven en de rechtbanken doorgaans een straf van 240 uren onvoorwaardelijke werkstraf en 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.
De rechtbank is echter van oordeel dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. In het arrest van 17 juni 2008 heeft de Hoge Raad (LJN BD2578) de eerdere jurisprudentie met betrekking tot de berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens samengevat. De behandeling van een strafzaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar en overschrijding van de redelijke termijn wordt als regel gecompenseerd door vermindering van de op te leggen straf.
De rechtbank stelt vast dat er in onderhavige zaak sprake van een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn, terwijl er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die een dergelijke overschrijding zou kunnen rechtvaardigen. Van een voortvarende behandeling van de zaak door de bevoegde autoriteiten is daarom geen sprake geweest.
De rechtbank ziet op grond van bovenstaande aanleiding bij de straftoemeting naar beneden af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 240b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 20 (twintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 10 (tien) dagen.
Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.A. Brunner, voorzitter,
mrs. J.A.W. Jansen en M.J.A. Duker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E. Bouwhuis, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 april 2013.